In Exodus 38 volgen de laatste onderdelen van het tentheiligdom en inventarisatie van de gebruikte metalen
In dit artikel:
Exodus 38 beschrijft hoe de bouwers van het tentheiligdom precies uitvoerden wat eerder aan Mozes was opgedragen. Centraal staan drie onderdelen die buiten de eigenlijke tent werden geplaatst: het brandofferaltaar, het koperen wasbekken en de omheining die de open ruimte (de voorhof) afbakende. De tekst inventariseert ook in detail de gebruikte materialen en wie eraan meewerkten.
Het brandofferaltaar wordt volgens de tekst gemaakt van acaciahout, vierkant van vijf el bij vijf el en drie el hoog, met vier hoorns op de hoeken en een koperen bekleding. Bij het altaar hoort geheel instrumentarium (potten, scheppen, vorken, schalen) en een koperen raster rond de onderzijde. Het altaar blijkt opgebouwd uit panelen en is hol aan de binnenkant, kennelijk om vervoering mogelijk te maken; dat roept praktische vragen op over het branden van offers op een lege houten behuizing en of men het eventueel vulde met aarde of stenen.
Kort daarna volgt de uitvoering van een opdracht uit hoofdstuk 30: het koperen wasbekken. Het opmerkelijke detail is dat het koper afkomstig is van gepolijste spiegels van vrouwen die een taak hadden bij de deuropening van de ontmoetingstent. Over de precieze aard van die taak of het ceremoniële gebruik van de spiegels wordt niets gezegd; alleen dat het materiaal werd hergebruikt voor de eredienst door priesters.
De omheining van de voorhof wordt in grootte en uitvoering beschreven: kleden van getwijnd linnen aan zuid- en noordzijde van honderd el met twintig pilaren, en kortere zijden van vijftig el met de ingang aan de oostkant, voorzien van een kunstig gordijn in kostbare kleuren. Deze onderdelen worden later bij Mozes gebracht en in hoofdstuk 40 op hun plaats gezet.
Een opvallend element in hoofdstuk 38 is de inventarisatie van goud, zilver en koper en de vermelding van personen die het werk uitvoerden: Besaleël en Aholiab, maar ook Levieten onder leiding van Itamar. De tekst noemt een telling van 603.550 personen die ieder een halve sikkel betaalden, een telling die formeel pas in Numeri beschreven wordt. Zulke samenhang tussen Exodus en Numeri doet denken aan elkaar overlappende bronnen en aan de redactionele plaatsing van Leviticus tussen wetgeving en bouwverslagen.
Functioneel en theologisch wijst de tekst erop dat het tentheiligdom door het volk gefinancierd werd, niet door een koning; dat maakt het tabernakel mobiel en van de gemeenschap, in contrast met latere, koninklijke tempelbouw. Daarmee benadrukt het verhaal dat JHWH bij zijn volk wilde wonen zonder zich tot staatsmacht of koningschap te laten reduceren. Eep Talstra (emeritus hoogleraar Oude Testament) gebruikt deze tekstdetails om zowel praktische vragen over het gebruik en de constructie aan te stippen als om bredere literaire en religieuze implicaties te belichten.