'In bom foel op Ie. Bam!' Toenmalig predikant Tjitze Tjepkema blikt terug op de mkz-crisis
In dit artikel:
Predikant Tjitze Tjepkema blikt terug op de mkz‑uitbraak van april 2001 die de Friese dorpen Ie en Eanjum zwaar trof. Toen het eerste geval bij boer Piet Meindertsma werd vastgesteld — in de nacht van dinsdag 10 op woensdag 11 april — viel er als het ware een bom op het dorp: strenge toegangsbepalingen, onmiddellijke afsluitingen en het ruimen van 37 bedrijven in de regio. Nationaal werden uiteindelijk 267.433 dieren gedood om de epidemie te bestrijden.
Tjepkema, toen voorganger in de Gereformeerde Kerk van Ie en nu pastoor in Heerenveen, beschrijft de periode als onwerkelijk en pijnlijk. Hij stond intensief pastoraal bij, belde vrijwel alle getroffen boeren persoonlijk en fietste langs erfafsluitingen om met mensen te praten. Tegelijkginge kerkelijk leven ging door: diensten en wake‑momenten boden een plaats voor rouw en bezinning, onder meer met kaarsen bij een icoon van Christus en abt Menas. Die religieuze bijeenkomsten hielpen mensen erkennen dat er meerdere vormen van verlies waren — niet alleen voor mensen, maar ook voor het dierlijke leven dat voor veel boeren heilig gevoel betekende.
De crisis bracht onverwachte verbinding tussen kerkgemeenschappen: hervormde en gereformeerde kerken trokken tijdens de ramp samen op en lieten organisatorische verschillen grotendeels vallen. Regionale media, met name verslaggever Douwe Boersma van Omrop Fryslân en kranten als het Friesch Dagblad en de Leeuwarder Courant, speelden volgens Tjepkema een cruciale rol in het informeren en ondersteunen van de dorpsbewoners.
Als boerenzoon kon Tjepkema zich goed inleven in het verdriet. Waar vroeger ziek vee vaak ‘uitgezegd’ werd en men andere methoden kende om dieren te laten herstellen, stond in 2001 de nationale aanpak van snel ruimen centraal. Dat leverde ethische en emotionele worstelingen op bij boeren: het doden van gezonde‑ogende dieren, soms generaties lang gefokt, raakte diep. Een indringend voorbeeld was boer Renze van der Ploeg, die vóór toestemming tot ruimen eerst samen met RIVM‑medewerkers in gebed Psalm 23 las — een moment dat Tjepkema als emblematisch voor de menselijke worsteling met verantwoordelijkheid en berusting ziet.
Niet alle reacties op bestuurlijk niveau waren positief; Tjepkema uitte woede over het kille antwoord van toenmalig minister Brinkhorst, terwijl burgemeester Roel Cazemier juist steunend en vaderlijk werd ervaren. In Friesland verliep de crisis minder zichtbaar in protest dan in delen van het midden van het land (waar opstanden op de Veluwe plaatsvonden); veel Friese boeren droegen hun verdriet stilletjes.
Langere termijn reflecties van Tjepkema gaan over mens‑dierverhoudingen en de toekomst van de landbouw. Hij constateert dat het landschap veranderde — minder bloemen in de weilanden — en pleit voor schaalverkleining en duurzamere methoden. Voorbeelden van biologische boeren die de bodem langzaam herstellen tonen volgens hem dat veranderen mogelijk is, al kost het tijd en tegenwerking door markt en banken. Hij verwijst ook naar de historische context van landbouwpolitiek (Sicco Mansholt) en ziet een blijvende noodzaak tot herbezinning op omgang met de schepping.
Tjepkema hoopt dat de kerken rond 11 en 12 april bij de 25‑jarige herdenking stil zullen staan bij wat er gebeurde; voor veel betrokkenen blijft het trauma voelbaar, en voor sommigen is het leed nooit helemaal gedeeld. De terugblik van het Friesch Dagblad maakt deel uit van een reeks over de mkz‑crisis van 2001 en benadrukt hoe de uitbraak niet alleen diergezondheidsbeleid, maar ook gemeenschapsleven, rouw en ethiek langdurig heeft beïnvloed.