Ik hoef, alweer, niet te demonstreren I column Maaike Borst
In dit artikel:
Terwijl in Ter Apel een demonstratie plaatsvindt tegen de groeiende vijandigheid jegens asielzoekers, is de verteller die zaterdag juist aan het mountainbiken in de Drentse bossen met zijn zoon en diens vriendje. De jongens scheuren door bochten, juichen van plezier en blijken vooral zichzelf te beleven; hun enthousiasme raakt de ouder die er meer van geniet dan van het fietsen zelf.
Tegelijkertijd leest de verteller dat bij de actie in Ter Apel de tegenstem in de meerderheid was — mensen die een ander geluid wilden laten horen tegen het dominante wantrouwen. Een deel van hem had willen meedoen, mee scanderen en deel worden van collectieve strijd. Maar hij voelt zich terughoudend bij massale demonstraties: het spreken namens anderen, beladen leuzen en zwart‑wit denken liggen hem niet. Hij geeft de voorkeur aan kleinere, twijfelende manieren van betrokkenheid.
De oppasverantwoordelijkheid voor de kinderen biedt een plausibele reden om thuis te blijven; in plaats van op het protest te staan, probeert hij bij de jeugd liefde voor buiten en bewegen te kweken. De scène op het terras na de rit — de zoon die zichzelf filmt en met een in internettaal geroepen “ik ben helemaal cooked” uitbundig lacht, en een close‑upfoto van het fronsende voorhoofd van zijn ouder die beiden aan het lachen maakt — illustreert hoe zelfs onopgesmukte, alledaagse momenten sporen nalaten. De keuze voor de “makkelijke weg”, de smalle paadjes door het bos, is geen onverschilligheid maar een andere vorm van betrokkenheid die ook betekenis geeft.