Ik hebbe wel es wat onaorige kollums schreven en hadde neffens mi'j et grootste geliek van de wereld | column Johan Veenstra
In dit artikel:
Johan Veenstra opent het nieuwe jaar met een nuchtere zelfreflectie over zijn eigen columns. Hij vraagt zich af of hij vorig jaar te scherp was in zijn kritiek op de “taeldippeteerde” — de ambtenaar of functionaris die over het Stellingwarfs waakt — en of zijn harde woorden die persoon juist verdedigend of nors hebben gemaakt. Hoewel hij overtuigd was van zijn gelijk, twijfelt hij aan de verstandigste aanpak: aanspreken met felheid of liever een gesprekje onder vier ogen.
Tussendoor maakt Veenstra een luchtige vergelijking met de internationale onrust rond Trump; hij hoopt dat die figuur in toom gehouden kan worden en grapt dat een verblijf bij het koningspaar in Huis ten Bosch misschien geen kwaad zou doen. Terug bij het lokale niveau visualiseert hij op speelse wijze een ongemakkelijke nachtelijke ontmoeting met de taeldippeteerde — een beeld dat hem meteen weer doet besluiten dat hij geen spijt heeft van zijn scherpe columns.
Het stuk is persoonlijk, humoristisch en trouw aan zijn Stellingwarver tongval: hij legt uit waarom hij blijft schrijven zoals hij doet en sluit af met de stellige boodschap dat hij geen slaafse gelegenheidschrijver is.