Honderd jaar kadavers en slachtafval verdeelt Sumar in voor en tegen
In dit artikel:
Sonac viert deze week het honderdjarig bestaan van zijn verwerkingsfabriek in Sumar, een onderneming die sinds de oprichting in 1925 een omstreden maar economisch belangrijke rol speelt in de regio. De fabriek is begonnen als Nederlands eerste kadaververwerkingsfabriek, door de Leeuwarder paardenslager Charles Nijveen samen met Jose Vigeveno en Marinus Kan; de officiële start volgde in 1926. Onder leiding van chemicus Hendrik Jakob Prins verwerkte de NTF (Nederlandse Thermochemische Fabrieken) dode dieren en slachtafval tot grondstoffen zoals diermeel, meststoffen, lijm en dierlijke vetten voor zeep en cosmetica.
De geschiedenis is zowel technisch als dramatisch: tijdens de oorlog raakten de oprichters zwaar getroffen door de Holocaust — Vigeveno en Kan overleden in interneringskampen, alleen Nijveen overleefde — en de bezetters plunderden de fabriek. Na de oorlog werd de productie sterk opgeschaald; in de jaren zestig verwerkte Sumar zo’n 600.000 kadavers per jaar en in 1975 verwerkte de vestiging ruim 54 miljoen kilo dierlijk afval.
De aanwezigheid van een destructiefabriek bracht langdurige ergernis over geurhinder. De NTF kreeg in Fryslân de bijnaam ‘stjonkfabryk’ en in de omgeving klaagden bewoners al decennialang over zoetige, penetrante lucht. Als reactie investeerde het bedrijf in hogere schoorstenen, filters, naverbranders en afzuiginstallaties; in de jaren negentig werden pijpen tot circa 60 meter opgetrokken en werden miljoenen guldens besteed aan geurbeperkende maatregelen. Desondanks bleek begin jaren negentig dat normen overschreden werden; in 1991 moesten 36 woningen rond de fabriek worden gesloopt omdat de overlast te groot was.
In de loop der jaren veranderde de bedrijfsnaam en focus: NTF werd Rendac en later Sonac. De MKZ-crisis van 2001 leidde tot een ingrijpende koerswijziging — om besmettingsrisico’s te beperken verhuisde de verwerking van volledige kadavers naar een vestiging in Son (Noord-Brabant). De fabriek in Sumar, sindsdien Sonac Burgum geheten, verwerkt sindsdien voornamelijk slachtafval en heeft momenteel ongeveer 130 werknemers.
Naast zakelijke cijfers bevat de lokale herinnering veel kleinschalige anekdotes: open dagen waarbij schoolklassen de productielijnen zagen, bedrijfsfeesten met artiesten en huisorkesten, en persoonlijke verhalen van werknemers van wie huizen moesten wijken voor milieumaatregelen. Voor omwonenden blijft geuroverlast een terugkerend punt; sommige bewoners slapen nog steeds met de ramen dicht en spreken over momenten dat rook en geur door hun huizen trekken. Tegelijk benadrukken oud-medewerkers de verbondenheid met het bedrijf en wijzen bestuurders erop dat Sonac zich door de jaren telkens heeft aangepast aan strengere regels en veranderende omstandigheden.
Kortom: Sonac in Sumar is een eeuwoud bedrijf met een complexe erfenis: essentieel voor grondstoffenrecycling en lokaal werk, maar historisch ook bron van milieuproblemen en maatschappelijke spanningen.