Hoge Raad verwerpt cassatieverzoeken: veroordeelden drugszaak Vidar, onder wie vijf Friezen, jarenlang cel in
In dit artikel:
De Hoge Raad oordeelt dat het Wetboek van Strafvordering het mogelijk maakt dat de officier van justitie met een niet-opsporingsambtenaar overeenkomt dat deze bijstand verleent aan opsporing — kort gezegd: inzet van een zogeheten criminele burgerinfiltrant is wettelijk toegestaan, mits aan strenge voorwaarden wordt voldaan. De cassatieklachten tegen die inzet faalden daarom.
Het gaat om een zaak rond de Hells Angels in Harlingen. Justitie besloot in 2016 een burgerinfiltrant in te schakelen (codenaam A4110) die onder meer contact moest leggen tussen infiltranten en leden van de motorclub. Omdat alleen hij werd vertrouwd, vroeg en kreeg de overheid toestemming om hem als criminele burgerinfiltrant in te zetten. Begin januari 2018 kwam de mol in Leeuwarden in aanraking met een inwoner van Stiens. Onder zijn regie ontstond een drugslijn naar Scandinavië; op 2 maart 2020 werd op de A7 in Groningen een transport van 86 pakketten harddrugs onderschept en volgden 28 aanhoudingen. De infiltrant kreeg vervolgens circa €100.000 en een nieuwe identiteit.
Verdediging en advocaten stelden procedurele fouten aan de kaak: de mol zou al actief zijn geweest voordat ministeriële toestemming formeler was geregeld, de inzet zou niet kortstondig of eenmalig zijn geweest. De rechtbank constateerde interne vormverzuimen maar zag geen onherstelbare schade voor verdedigingsrechten. Voordat het hof in februari 2024 over de zaak oordeelde, kwam naar buiten dat de infiltrant dementerende was en tijdens de operatie last had van wanen en vrijwel doof was. Het hof vond die omstandigheden geen reden om zijn verklaringen volledig onbetrouwbaar te achten omdat die op andere bewijsstukken aansloten. De zwaarste straffen betroffen een man uit Zürich (7 jaar) en een inwoner van Leeuwarden (6 jaar).