Hoeveel voetbal ik kijk? Valt best mee joh
In dit artikel:
Na de Champions Leaguefinale realiseert de schrijver zich dat er twaalf dagen liggen tussen dat slotstuk en de aftrap van het WK. Dat leidde tot een gesprek met collega Wybe Fraanje over hoeveel voetbal je eigenlijk kunt consumeren — en of je daar last van hebt. De schrijver houdt vol dat hij niet voortdurend naar beeldschermen kleeft: als er iets anders op het programma staat, zegt hij nooit af voor een wedstrijd, en vaak staat voetbal alleen op de achtergrond terwijl hij andere dingen doet. Fraanje reageert sceptisch.
Om te onderzoeken hoeveel tv-voetbal je onbewust opsoupeert, maakt de schrijver een globale weektelling. Het begint vrijdag met het Keuken Kampioen Divisie-schakelprogramma, dat van veld naar veld springt; wie dat beu is, heeft doorgaans meteen doorgifte uit Spanje of Italië. Zaterdag biedt vaak een middagwedstrijd uit de Engelse Premier League, plus Spaanse en Italiaanse duels tot in de avond. De slotavond wordt soms gevuld met de BBC’s Match of the Day, vol lange nabeschouwingen. Op zondag herhaalt zich een vergelijkbaar patroon: competities uit Engeland, Italië en Spanje vullen de dag. Maandag heeft vaak een Serie A-topper, dinsdag en woensdag horen Champions League-avonden toe, donderdag Europa League en Conference League — en dan begint de cyclus opnieuw. Fraanje rekent droogweg voor dat dit snel uitloopt op zo’n dertig uur voetbal per week.
De piece profileert zowel de aantrekkingskracht als de vermoeidheid rond moderne voetbalkijkcultuur: veel aanbod, fragmentarische consumptie en een onvermijdelijke hoeveelheid toeval in uitslagen. Als praktische tip om de lege dagen tot het WK te overbruggen, stelt Fraanje nuchter voor: “Gewoon eindeloos over het WK kletsmajoren.” Daarmee wordt het gebrek aan schermtijd getackeld met praten en nabeschouwen, in plaats van elk duel live te moeten volgen.