Hoe lang duurt ontroering door de gruwelen van daarginds? Een cruciale 'postkerstmis'-vraag, lijkt me | column René Diekstra
In dit artikel:
Dagelijks verschijnen schrijnende beelden uit Oekraïne in kranten en op tv: dode gezinnen, huilende vluchtelingen, een kind dat zijn omgekomen moeder begraaft. De auteur vraagt zich af wat die foto’s beogen — oproepen tot medeleven of slechts routinebeelden — en of herhaalde confrontatie met andermans lijden niet juist tot afstomping leidt.
Hij haalt socioloog Herbert Marcuse aan: langdurige blootstelling aan ellende kan het vermogen tot verzet en mededogen uitputten, waardoor barbarij als onvermijdelijk wordt geaccepteerd. Objectieve verslaggeving en emotionele ongevoeligheid zijn volgens hem verwant; het neutrale journaal kan fungeren als koorddansen tussen informeren en het dempen van schuldgevoelens. Ook een recente uitspraak van een demissionair minister — dat het handelen rond Oekraïne moreel zwak was — illustreert dat politiek en publiek zich bewust zijn van tekortschietende verantwoordelijkheden, maar vaak niet van de groeiende morele schuld.
De auteur verwijst verder naar psychiater Herman Musaph, die beschreef hoe onnodig lijden een diepe aanklacht tegen de beschaving vormt. Door nieuwsconsumptie geven zowel journalisten als lezers zichzelf soms de illusie van betrokkenheid, terwijl die aandacht te vaak dient als morele afkoop in plaats van aanleiding tot handelen. De tekst sluit af met een vraag aan de lezer: is het echt onmogelijk om meer verantwoordelijkheid te dragen voor het lijden ver weg — een vraag die, juist na de feestdagen, dringend en persoonlijk is.