Hoe kwaadsprekerij ons afhoudt van God en de ander
In dit artikel:
Psychiater en theoloog Margreet de Vries‑Schot benadrukt dat de Veertigdagentijd vooral draait om innerlijke omkeer, toerusting en een hernieuwde gerichtheid op God — niet louter om het tijdelijk laten staan van gewoonten zoals alcohol of sociale media. Vanuit Jesaja 58 wijst ze erop dat vasten geen doel op zich is: het is zinloos wanneer iemand tegelijk andere mensen onderdrukt, uitbuit of zich schuldig maakt aan kwaadsprekerij en beschuldigend wijzen.
De Vries‑Schot, die zowel geneeskunde als theologie studeerde en in 2006 promoveerde op de rol van geloof in hulpverlening en pastoraat, ziet geloof als een wezenlijk onderdeel van identiteit en herstel. Uit haar onderzoek en praktijk komt naar voren dat factoren als hoop, liefde, verbondenheid en zingeving meetbaar kunnen bijdragen aan genezing. Ze schreef daarover meerdere boeken en staat geregeld voor in PKN‑diensten.
Centraal in haar interpretatie van de Veertigdagentijd staat de oproep tot innerlijke aandacht: de vraag is niet primair “wat laat ik staan?”, maar “wat moet er in mij veranderen?” Wie met de vingervoorwerp naar anderen wijst, projecteert vaak eigen tekortkomingen. Inkeer betekent volgens haar daarom eerst naar binnen kijken en bescheidenheid in plaats van directe morele verontwaardiging tonen. In persoonlijke relaties, op het werk en in het publieke debat ziet ze dat projecties en beschuldigingen veel schade veroorzaken.
De actualiteit van Jesaja’s veroordeling van kwaadsprekerij krijgt volgens De Vries‑Schot extra gewicht door de hedendaagse mediapraktijk. Nieuws en analyses zijn vaak gekleurd door preferente narratieven, waardoor feiten en framing moeilijker te onderscheiden zijn. Ze maakt zich zorgen over selectieve aandacht voor internationale onrechtvaardigheden en waardeert organisaties die consistente informatie over christenvervolgingen blijven geven. Tegelijkwaqt waarschuwt ze dat vermijden van kwaadsprekerij niet betekent dat misstanden moeten worden verzwegen: melden van pesten, machtsmisbruik of roddel op de werkvloer is noodzakelijk om onrecht te bestrijden.
Een belangrijk praktisch onderscheid dat De Vries‑Schot maakt, is tussen persoon en gedrag: mensen verdienen geen definitief eindoordeel, maar gedrag kan wel moreel beoordeeld en bespreekbaar gemaakt worden. Dat kan reputatieschade en karaktermoord tegengaan, vooral in een tijd van online campagnes en chantage. Ze plaatst dit binnen een bredere thematiek van vrijheid en verantwoordelijkheid: de Tien Geboden ziet ze niet als beperking, maar als kader dat authentieke vrijheid mogelijk maakt — vrijheid zonder verantwoording leidt tot willekeur; verantwoording zonder vrijheid tot dwang.
In haar therapeutische praktijk vertaalt de oproep tot het „werpen van het juk” zich ook naar persoonlijke bevrijding: mensen die vastzitten aan verslavingen of destructieve gedragspatronen kunnen met hulp en within veilige omgevingen herstel vinden. Daarbij horen biologische, psychologische, sociale én spirituele dimensies; het spirituele aspect ziet zij als een overkoepelend onderdeel van genezing.
Kortom: De Veertigdagentijd is volgens De Vries‑Schot minder een oefening in onthouding dan een uitdaging tot liefdevolle waarheid — een beweging van innerlijke bekering en uiterlijke gerechtigheid die toegenegenheid naar God en de naaste (agape) concreet maakt.