Hoe Gerard Feringa in Holwert hielp joodse kinderen te redden

dinsdag, 28 april 2026 (19:00) - Friesch Dagblad

In dit artikel:

Gerard Evert Feringa uit Holwert en zijn zoon Gerrit (‘lytse Gjerrit’) blijken tijdens de Tweede Wereldoorlog bijna vijftig Joodse kinderen een veilige schuilplaats in het dorp te hebben geboden. Pas zestig jaar na Gerards overlijden werd hun rol breed gedocumenteerd: diepgravend onderzoek van Reinder Postma en Yvonne te Nijenhuis (publicatie 2020) bracht de omvang van hun verzetswerk aan het licht, nadat eerdere bronnen slechts spaarzaam signalen gaven.

Feringa (opgegroeid in Herbaijum) en zijn gezin waren rond 1919 in Holwert een textielwinkel begonnen; Gerard was van 1930 tot 1954 lid van het hoofdbestuur van de Nederlandsche Kaats Bond (NKB) en was penningmeester toen de bond in 1943 de wedstrijden staakte. Ondanks zijn bestuurlijke positie en maatschappelijke betrokkenheid — actief bij de kaatsvereniging Concordia, de Maatschappij tot Nut en als kerkvoogd — bleef zijn verzetswerk na de oorlog grotendeels onopgemerkt in jubileumboeken en krantenberichten. In de overlijdensadvertentie van 1960 krijgt zijn illegaliteit slechts een summiere vermelding.

De manier waarop vader en zoon te werk gingen blijkt uit notities van Gerrit en getuigenissen: de winkel fungeerde als verzamelpunt voor illegale bladen en als opvangplek. Dominees uit de regio leverden vaak de eerste kinderen aan; Gerard zocht geschikte adressen in het dorp en Gerrit zorgde voor het vervoer of nam de kinderen in ontvangst als zij werden gebracht. Via het magazijn van de zaak werden de kinderen vervolgens bij gastgezinnen geplaatst. In totaal vond zo bijna vijftig kinderen onderdak. Aanvankelijk boden gastheren dat kosteloos aan; op aandringen van contactpersonen elders werd later wel een vergoeding gevraagd om de draagkracht van de families niet te ondermijnen. Postbode Freerk Bouma vervulde eveneens een belangrijke rol in de hulpverlening.

Dat juist Holwert geschikt bleek als schuilplaats had meerdere oorzaken: de lokale Duitse aanwezigheid was beperkt en weinig intensief; de commandant kwam zelden langs en soldaten dronken vaak in het dorp. Een oudere Duitse militair waarschuwde volgens ooggetuigen soms bij dreigend gevaar, en het dorp kende vrijwel geen actieve NSB’ers of verraders — omstandigheden die de geheime opvang vergemakkelijkten. Tegelijk lag het bestuurlijk klimaat binnen de NKB verdeeld; sommige bestuursleden stonden sympathieker tegenover de bezetter, wat Feringa extra kwetsbaar maakte.

De erkenning van de hulp aan de kinderen bleef lange tijd uit. Wel was er rond 1962-63 al een hint: dominee Cornelis Diedericus Moulijn noteerde herinneringen over onderduikadressen en noemde de Feringa’s als leiders van veel ondergronds werk. Pas het onderzoek van Postma en Te Nijenhuis bracht de details samen en maakte hun betekenis voor de plaatselijke oorlogs-geschiedenis zichtbaar. Een persoonlijk vervolgillustratie hiervan: in 2015 bezocht een van de toen in Holwert ondergedoken mannen de auteurs en schonk uit dankbaarheid geld voor de nazaten van de dorpse helpers — een klein gebaar dat het blijvende menselijke oogmerk van de acties benadrukt.

De ontdekking van deze verhalen onderstreept dat veel verzetsdaden lang onopgemerkt blijven en dat stille, lokale initiatieven levens hebben gered zonder dat de betrokkenen erom pronkten.