Hij zou loeien als een brandweeralarm en ronken als de zaag die hem verloste | column Wieberen Elverdink
In dit artikel:
Bij “zijn boom” aan de rand van het stuifduin, een oude, knoestige grove den, herleefde Wieberen Elverdink een familieherinnering: zes jaar eerder, toen zijn jongste zes was, raakte het kind met de knie vast in een holte tussen tak en stam en moest de brandweer eraan te pas komen. Het incident veroorzaakte sirenes, publiek en zelfs persberichten; later nam het jongetje als bewijsstuk een afgezaagde tak mee naar school. Die tak ligt nog altijd naast de schuur — een tastbaar aandenken dat de ouder niet wil wegdoen.
Op Tweede Paasdag liepen ze opnieuw naar de boom. De den zelf was nauwelijks veranderd; de stomp van de losse tak was door tientallen klimmende kinderen afgerond, maar verder stond hij er nog als vroeger. De zoon daarentegen was gegroeid: waar hij ooit vastzat paste zijn knie nu allang niet meer in de holte. Hij klauterde moeiteloos naar de plek en stelde de oude houding na, een moment dat de schrijver deed beseffen hoe snel rollen omdraaien — het kind op weg naar volwassenheid, de boom als blijvende kapstok voor een verhaal dat hij misschien later aan zijn eigen kinderen zal vertellen.
Later klommen ze een nabije uitkijktoren op en zagen in het oosten overal zwarte rookpluimen: mensen staken vreugdevuren aan om de lente te verwelkomen. Die vuren, torens van takken die niemand ooit hoefde te bevrijden, vormden een rustig contrasterende afsluiting van de avond. Elverdink woont met zijn vrouw en drie kinderen in een middelgroot dorp in het Nederlandse Noorden en schrijft over het dorpse leven.