Hij vertrouwt, hoe kan hij ook anders, op mij | column Maaike Borst
In dit artikel:
Hij vertrouwt het ijs niet: hij hoort het knarsen, ziet scheuren en luchtbellen en zelfs op korte afstand maakt een oostenwind nog golfjes op een stukje open water. Zijn moeder probeert hem gerust te stellen, zijn opa wijst op de sporen van anderen, maar de jongen bedenkt juist dat al dat gewicht het ijs zwakker maakt en dat iemand vroeg of laat de eerste zal zijn die naar beneden zakt — en natuurlijk vreest hij dat dat hij zal zijn.
Op de bevroren plas, die in de zomer 'happertjesland' heet naar de mythische, onderwater vriendelijke wezens uit familieverhalen, ervaart hij de ommekeer van het landschap: ondiep water dat onder ijs verandert, straten die in de sneeuw speelplaatsen worden. De omgeving, doorgaans vertrouwd, voelt ineens onbetrouwbaar zodra het vriest. Hij let op álle mensen die schaatsen — van snelle mannen in strakke pakken tot hand-in-hand paar en een man met een touw en ijsprikker — maar hun aanwezigheid kalmeert hem niet.
Pas wanneer zijn moeder hem op hoge snelheid voorttrekt, bungelend aan een sjaal achter haar rug, verdwijnt zijn angst. De vaart maakt het kraken van het ijs onbelangrijk; schaatsen wordt vliegen, licht en vrij. Tegelijkertijd roept het herinneringen op: de moeder denkt terug aan hoe zij zelf als kind achter haar vader hing, onder de wind en zijn lange slagen, bewondering voor zijn beheerstheid en snelheid.
Het verhaal draait minder om technische veiligheid dan om vertrouwen — niet zozeer in het ijs, maar in jezelf en in degene die je voorttrekt. Vertrouwen op jezelf blijkt uiteindelijk moeilijker dan vertrouwen op een krakende ijsvloer.