Hie elk it mar iens wurden oer dy fiergeande stavering, mar dat slagge fan gjin kanten | column Pieter de Groot

donderdag, 19 maart 2026 (16:57) - Leeuwarder Courant

In dit artikel:

Zestig jaar geleden ging de kans op een ingrijpende modernisering van de Friese spelling verloren toen de provinciale staten kozen voor een compromis in plaats van een radicale hervorming, stelt Eppie Dam. De discussie begon in de jaren zestig: tweetalige scholen vroegen om vereenvoudiging van de naoorlogse (1945) spelling, waarna het Taalkundig Wurkferbân van de Fryske Akademy in 1961 een commissie oprichtte onder leiding van prof. Klaas Fokkema. In 1963 en later werden voorstellen gepresenteerd die de schrijfwijze veel dichter bij de klank wilden brengen — voorbeelden betroffen spellingen als bjemmen, tyyd en sneuen — iets waar voorstanders zoals Trinus Riemersma en Tony Feitsma voor pleitten om het Fries makkelijker leerbaar te maken voor kinderen en niet‑Friezen.

De voorstellen leidden tot felle tegenstand in kranten en van culturele organisaties; uitgevers waarschuwden voor hoge kosten (een kleine wijziging geschat op 200.000 gulden, een grote op 1,25 miljoen). Na jaren van discussie bracht een breed samengestelde commissie in 1968 twee opties uit: een ingrijpende verandering (26% van de woorden) of een beperkte aanpassing (6%). Protesten, een afwijzing door het in 1969 opgerichte Schrijversboun en een petitie bevestigden de verdeeldheid.

Uiteindelijk greep onderwijsbestuurder Jaap Mulder in vanwege de komst van een nieuwe Bijbelvertaling, liedboek en woordenboek. Een adviescommissie, met onder anderen Douwe Tamminga, formuleerde een middenweg die de provinciale staten in 1978 met 26 tegen 22 stemmen aannamen. Critici bestempelden het compromis later spottend als een onduidelijke, halfslachtige spelling; volgens Dam zitten kinderen sindsdien nog steeds met een klankgericht maar inconsistent schrift. De zaak illustreert hoe taalbeleid botst met culturele gevoeligheden, praktische kosten en onderwijsbelangen.