Het zijn vooral gewone mensen die afglijden naar het uitvoeren van de meest gruwelijke dingen, onderzocht Alette Smeulers

vrijdag, 27 februari 2026 (12:14) - Friesch Dagblad

In dit artikel:

Prof. Alette Smeulers (Rijksuniversiteit Groningen) trekt na dertig jaar onderzoek de scherpe conclusie dat oorlogsmisdaden zelden werk zijn van louter buitenbeentjes: veel daders zijn gewone mensen die onder invloed van omstandigheden tot buitengewone wreedheden komen. Haar omvangrijke studie, recent verschenen in het Nederlandse boek Angstaanjagend normaal (de Engelstalige versie eerder), analyseert hoe sociale, psychologische, politieke en juridische factoren geleidelijk mensen richting misdaden tegen de menselijkheid duwen.

Centraal in Smeulers’ verklaring staat het proces van normalisering en morele verschuiving. Tegenstanders worden eerst gedemoniseerd en daarna gedehumaniseerd, waardoor morele remmingen wegvallen: wie niet meer als volwaardig mens wordt gezien, mag volgens die logica bestreden worden. In samenhang daarmee treden mechanismen op als gehoorzaamheid aan bevelen, groepsdruk, rechtvaardiging van het handelen en het sussen van het geweten. Vaak begint het met een bevel dat de betrokkene diep verontrust, maar door rationalisaties — “ik moest wel” of “zij vormen een bedreiging” — raakt iemand gewend aan steeds extremere handelingen en sluit uiteindelijk empathie uit.

Smeulers onderscheidt veertien daderprofielen, van sadisten en ideologen tot opportunisten en – de grootste categorie – meelopers. Slechts een klein aandeel (ongeveer 5%) blijkt pure sadisten; de massa volgt vooral de groep en de logica van het systeem om niet uit de toon te vallen. Tussen de beleidsbepalers en de uitvoerders bevinden zich ‘toegewijde onderdanen’ die routinematig gruweldaden operationaliseren, zoals Eichmann tijdens de Holocaust: mensen die er trots op zijn hun taak efficiënt uit te voeren zonder zichzelf als kwaad te ervaren.

Historische en actuele voorbeelden illustreren de patronen: bewakers in vernietigingskampen die thuis keurige familieleden waren; de Rwandese propaganda die Tutsi’s als “kakkerlakken” bestempelde; Nederlandse militairen die zich in Nederlands‑Indië schuldig maakten; en de Russische campagne tegen Oekraïne, waarbij Poetin propaganda inzet om de Russische bevolking te overtuigen dat “bescherming van volksgenoten” gerechtvaardigd is. Smeulers kwalificeert Poetin als destructieve leider met weinig geweten en een groot machtsstreven, en wijst op de gevaarlijke wisselwerking tussen dergelijke leiders en fanatieke of carrièremotiveerde medewerkers.

De gevolgen zijn zorgwekkend voor de internationale rechtsorde: na 1945 opgezet om genocides en een nieuwe wereldoorlog te voorkomen, functioneert die orde alleen zolang staten en leiders zich eraan committeren. Smeulers is pessimistisch nu wereldleiders als Trump, Poetin en Xi zich weinig gelegen laten liggen aan internationale normen en macht boven recht stellen.

Haar morele waarschuwing is helder: onderschat niet hoe snel gewoonten en groepsdynamiek iemand kunnen veranderen. “Wees vooral niet zeker van je eigen goedheid,” stelt ze — een oproep tot waakzaamheid, zelfreflectie en instituties die misbruik van gezag en systematische ontmenselijking tegenhouden.