Het welbespraakte politieke, redelijke midden in Israël
In dit artikel:
Columnist Bert de Bruin schetst in zijn stuk een verlangen naar nuance temidden van de verhitte debatten rond Israël, Palestina en internationale reacties. Hij reageert op een recent fragment van Ilja Leonard Pfeijffer waarin die lijkt te beweren dat “Iran de oorlog heeft gewonnen” — een uitspraak die volgens De Bruin weinig mededogen toont met gewone Iraniërs en die illustratief is voor hoe extreme uitspraken snel de boventoon voeren. Volgens hem is het bijna onmogelijk geworden om compassie te tonen met Iraniërs of Palestijnen, of kritiek te uiten op Israëlisch beleid, zonder meteen als anti-Israëlisch of antisemitisch te worden bestempeld — net als dat steun voor Israël vaak wordt gelijkgesteld aan steun voor nederzettingen, extreemrechts of vijandigheid tegen migranten.
Toch kiest De Bruin voor een hoopvolle kijk. Op Yom HaShoah zag hij in de Knesset een opgenomen herdenkingsplechtigheid waarin parlementsleden namen voorlazen van slachtoffers uit de Shoah; één van die verhalen trof hem persoonlijk omdat het de overgrootvader van een medewerker van zijn zoon betrof, Jacob Rozenblum, gedeporteerd naar Sobibor. Hij haalt rabbijn en Knessetlid Gilad Kariv aan als voorbeeld van het “redelijke midden”: een zionist die fel tegen de bezetting is, pleit voor samenwerking tussen joden, Palestijnen en andere gemeenschappen en actief alternatieven en hoop promoot.
Persoonlijk nieuws sluit de column af. De Bruin, historicus en leraar Engels in Haifa, woont sinds 1992 in Israël en kreeg deze week telefonisch bericht dat zijn aanvraag voor de Israëlische nationaliteit is goedgekeurd; vanaf 4 mei zal hij zowel Nederlander als Israëliër zijn. Hij benadrukt dat hij zijn Nederlandse identiteit niet wil opgeven, maar dat Israëlisch staatsburgerschap hem ook praktische rechten geeft — onder meer stemrecht voor de Knesset — en symbolisch past bij zijn levenspad. Hij besluit met een optimistische noot: “Onze hoop is nog niet verloren.”