Het veemgericht heeft wel degelijk bestaan
In dit artikel:
Amateurhistoricus Hessel Bouma stelde in HaFaBra (13 december 2025) en in een ingezonden brief van 7 februari 2026 dat het zogenoemde Friese veemgericht uit de Tweede Wereldoorlog niet heeft bestaan. Volgens Bouma zou de vermeende gerechtelijke structuur die liquidaties door het verzet legitimeerde in werkelijkheid een mythe zijn, gebaseerd op weinig betrouwbare of eenzijdige bronnen.
Dr. mr. H.L.C. Hermans, oud-rechter en rechtshistoricus, weerlegt die stelling met meerdere concrete bezwaren. Hij wijst erop dat Bouma in zijn openbare betoog geen overzicht geeft van de geraadpleegde bronnen of van de onderzoeksaanpak waarmee hij tot zijn conclusies is gekomen. Een kranteninterview noemt Hermans geen geschikt podium voor zo’n ingrijpende historische claim: wie zulke ontkenningen poneert, hoort zijn bronnen, methode en redenering systematisch te verantwoorden zodat anderen de bevindingen kunnen controleren.
Hermans betwist ook de logica van Bouma’s redenering. Alleen twijfels over de betrouwbaarheid van bronnen volstaan niet als bewijs dat iets niet heeft plaatsgevonden; ontkennend bewijs vergt positieve, aantoonbare tegenargumenten. Bouma zou bovendien de informatie over het veemgericht hebben willen herleiden tot één persoon, verzetsstrijder Pieter Wijbenga, en daarmee impliciet het adagium hanteren dat één getuige geen getuige is. Hermans benadrukt dat in de geschiedbeoefening getuigenissen — zeker van prominente verzetsmensen — niet per definitie ongeldig zijn en dat in dit geval meerdere onafhankelijke bronnen bestaan.
Als bewijs haalt Hermans uit zijn eigen boek Om des gewetenswille (2003) twee onafhankelijke getuigenissen aan: een verklaring van verzetsman Witteveen en getuigenissen van de zoon van rechter Jan Wedeven, die beide op verschillende manieren het bestaan, doel en werkwijze van het veemgericht beschrijven. Daarnaast noemt Hermans een document van 16 maart 1945 van een vermeend lid van het veemgericht waarin instemming met een doodvonnis onder de voorwaarde van een spoorloos uitgevoerde executie en opmerkingen over besluitvorming zijn vastgelegd. Ook wijst hij op archiefmateriaal bij de Vereniging Friesland 1940–1945 in Tresoar en op vermeldingen in de wetenschappelijke editie van Loe de Jong (Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 7, tweede helft), waarmee Bouma’s bewering dat Loe de Jong niet over het veemgericht schreef onjuist zou zijn.
Hermans oordeelt dat Bouma’s alternatieve uitleg — dat het veemgericht louter toneel was zodat een politieman (Houwing) beslissingen kon doordrukken — speculatief is en neerkomt op een complottheorie zonder bewijs. Gezien de samenhang van getuigenissen, documenten en archiefvermeldingen concludeert Hermans dat de ontkenning van het veemgericht onvoldoende onderbouwd is en dat de beschikbare bronnen juist wél wijzen op het bestaan van dit clandestiene rechtscollege in Friesland tijdens de oorlog.