Het tragische einde van Matti en Steve

maandag, 8 juni 2026 (21:29) - Friesch Dagblad

In dit artikel:

Gerard Wolters stelt dat videokunst steeds beter en verrassender wordt, maar dat musea en tentoonstellingslocaties onvoldoende rekening houden met hoe die werken getoond moeten worden. Als voorbeeld noemt hij een video op de Biënnale van Venetië van de Amerikaanse kunstenaar Nina Katchadourian: een tragikomische, filmachtige reconstructie met vijfentwintig Playmobil-popjes rond een dubbelgraf, waarin zij terugblikt op jeugdspelletjes met haar broer en een verdrinkingsongeluk verbeeldt. Wolters noemt dit een van de hoogtepunten van de editie, vooral omdat het bij sommige presentaties wél in een passende, bijna bioscoopachtige setting werd geplaatst.

Tegelijkertijd viel hem op dat videokunst op veel plekken nauwelijks aanwezig leek (bijvoorbeeld in de Giardini), en dat wanneer er wel video te zien is, bezoekers vaak onvoorbereid een ruimte binnenlopen en halverwege in een loop of verhaal vallen. Vaak ontbreekt informatie over de duur of het tijdstip van herhaling, waardoor toeschouwers slechts enkele seconden blijven staan en het werk missen. Dat ervaart hij als kwalijk: het is vergelijkbaar met alleen een deel van een beroemde schildering zien.

Wolters pleit ervoor dat musea eenvoudige maatregelen nemen om videokunst recht te doen: vermeld begin- en eindtijden, maak speciale kijkruimtes en stimuleer bezoekers echt te gaan zitten en kijken. Hij noemt ook positieve voorbeelden op het Arsenale, waar werk van onder anderen Yo-e Ryou, Kader Attia en Tuãn Andrew Nguyên effectief gepresenteerd werd. Conclusie: de kwaliteit van de werken rechtvaardigt meer aandacht en kijktijd — zowel van instellingen als van publiek — zodat verhalen volledig beleefd kunnen worden in plaats van fragmentarisch.