Het getuigenis van de vreugdebode in Jesaja 62
In dit artikel:
In Jesaja 62 draait een belangrijk exegetisch vraagstuk om de vraag: wie is dat ‘ik’ dat spreekt? De rabbijnse lezing en ook de oude vertalingen (de Griekse Septuaginta en de Aramese Targum) lezen het ‘ik’ in vers 1 (en voor de Targum ook vers 6) als God zelf. Dat maakt de woorden zwaarder: dan spreekt de Heer persoonlijk over zijn liefde voor Sion/Jeruzalem en over het plaatsen van wachters op de muren om de terugkeer uit ballingschap te begeleiden. Zo wordt Gods onveranderlijke trouw tegenover de ontrouw van het volk benadrukt.
Toch levert de voorstelling van God als spreker ook problemen op: in de tekst verschijnt de derde persoon van de Heer slechts in enkele versen, wat sommige uitleggers doet zoeken naar een alternatieve lezergerichte verklaring. Van Wieringen pleit ervoor het hoofdstuk te verstaan in de bredere context van Jesaja 40–66, waarin een vreugdebode (de verkondiger van het heil) vanaf Jesaja 40:9 optreedt en in 52:7–12 expliciet de komst van God naar Sion aankondigt en het terugkerende volk oproept uit Babel te vertrekken. Deze vreugdebode keert in hoofdstuk 62 terug: hij spreekt opnieuw over zijn affectieve verbondenheid met Sion/Jeruzalem, houdt de wachters scherp en geeft oproepen die zowel het terugkerende volk als de muurwachters kunnen raken. De herhaalde gebiedende dubbelvormen in het hoofdstuk — nu gericht op binnentreden in plaats van op vertrek — kunnen wijzen op de poorten van de stad of specifieker op de tempelpoorten en heilige voorhoven, waarmee de tekst toeleidt naar het slot van het boek (Jesaja 66) waarin de tempel een centrale plaats krijgt.
Een andere centrale lijn in Jesaja 62 is naamgeving: Sion/Jeruzalem en het volk krijgen meerdere nieuwe namen toegedicht (twee keer in het hoofdstuk), wat hun hernieuwde identiteit en bestemming markeert. Waar vroeger aanduidingen als ‘verlaten’ en ‘verwoest’ golden, verschijnen nu affectieve en relationele benamingen: de stad wordt aangeduid als degene waarin God welbehagen vindt en als ‘gehuwde’; het volk wordt ‘volk van het heiligdom, door de HEER verlosten’. Een laatste naam voor de stad klinkt als ‘lang gezochte stad, die nooit verlaten is’ — ambigueziteit deliberate: gezocht door wie, en nooit verlaten door wie? Die spanning nodigt de lezer uit tussen verlatenheid en begeerde aanwezigheid te staan en zo het getuigenis van de vreugdebode over te nemen.
Archibald van Wieringen (hoogleraar Oude Testament, TST, en priester) gebruikt die contextuele en literair-theologische aanwijzingen om de nadruk te leggen op een bode die namens God spreekt, op Gods affectieve betrokkenheid met Sion en op de rituele/ruimtelijke oriëntatie naar de tempel. De lezing belicht hoe taal van liefde, hernoeming en wachtersfuncties samen de hoop op herstel en de zekerheid van Gods blijvende aanwezigheid vormgeven.