Het coalitieakkoord als openingsbod en de functionele boosheid van de oppositie, of: onderhandelen in minderheidstijden
In dit artikel:
Het document dat D66, VVD en CDA presenteerden heet bewust een coalitieakkoord en niet een regeerakkoord: dat markeert dat de drie partijen geen meerderheid in de Tweede Kamer hebben en het akkoord dus een openingsbod is, geen vaststaand zesjarenplan. Bij de behandeling van het eindverslag van informateur Rianne Letschert liepen kritiek en tegenvoorstellen — vooral over zorg, sociale zekerheid en vooral de voorgestelde verhoging van de AOW-leeftijd — hoog op. Jesse Klaver en Geert Wilders dienden samen een motie in om verdere AOW-verhoging te blokkeren; die motie werd met geringe marge verworpen.
De formatie kreeg meteen een richtinggevend moment toen Rob Jetten als formateur steun kreeg van een ruime meerderheid; alleen PVV, FVD, DENK, PvdD en SP (35 Kamerleden) stemden tegen. Dat liet zien met welke fracties het kabinet-Jetten kan onderhandelen, en met welke niet. Omdat de coalitie geen Kamermeerderheid heeft, zullen veel voorstellen voortaan openlijk worden bestreken: Kamerdebatten en moties functioneren als tegenbiedingen en publieke onderhandelingsarena’s in plaats van louter oppositieaanvallen om een kabinet te doen vallen.
Die nieuwe dynamiek betekent dat het kabinet constant compromissen zal moeten sluiten; het voordeel voor de coalitie is wel dat de drie partijen onderling hechter zijn dan de gefragmenteerde oppositie, waardoor ze in de praktijk vaak nodig blijven om meerderheden te smeden. Burgers en politici zullen moeten wennen aan zichtbare, doorlopende onderhandelingen in plaats van een afgebakend regeerprogramma. Of dat werkt, zal de komende maanden moeten blijken.