Het beeld van de paraplu die, gegrepen door een windvlaag, plots trechtervormig wordt, is van een klassieke schoonheid | column Wieberen Elverdink
In dit artikel:
In het centrum ziet de auteur een vernield exemplaar van een paraplu dat uit een prullenbak steekt: de metalen baleinen staan krom, het geheel doet denken aan de ribben van een karkas. Dat kapotte voorwerp roept een heel scenario op — een vrouw die, bij plotselinge regen, vol vertrouwen haar opvouwbare paraplu tevoorschijn haalt, maar het mechanisme hapert; ze worstelt ermee, trekt te hard, iets scheurt en ze gooit het gefrustreerd weg. De schrijver passeert de plek tien minuten later en vraagt zich af of zij nog droog en verregend ergens wacht.
Het stuk is minder technisch betoog dan een persoonlijke reflectie: de auteur heeft een haat-liefdeverhouding met de paraplu. Als alles goed werkt is open- en dichtklappen bijna troostend, het spanvlak en het karakteristieke geluid geven voldoening. Maar wind of slijtage verandert het object snel in rommel — een vluchtig trechtervormig ding dat vaak niet meer te repareren is.
Belangrijker nog is de sociale kant: een paraplu wordt problematisch zodra je hem moet delen. Volgens etiquette behoort de langste persoon het handvat te houden en de binnenste arm te gebruiken om beiden droog te houden; in de praktijk stoot het slingerende doek constant tegen de ander. Meestal offert de drager zich op, loopt of staat kletsnat terwijl de passagier beschermd blijft — resultaat: een doorweekte jas, een rotgevoel, en soms een dankbare medemens.
De column eindigt met een korte persoonsvermelding: journalist Wieberen Elverdink (45) woont met vrouw en drie kinderen in een middelgroot dorp in het noorden en schrijft over alledaagse gebeurtenissen in het dorpsleven.
De Oranjezomer: Directeur ANWB Alarmcentrale adviseert toekomstige vakantiegangers: 'Dat is belangrijk!'