Groeiende onvrede is een signaal: het sociaal contract tussen burger en overheid staat onder druk | opinie
In dit artikel:
Hendrik Atze van Doezum, geschiedenisleraar en columnist voor de Leeuwarder Courant, trekt een lijn van de klassieke sociaal‑contracttheorieën van Hobbes en Rousseau naar de hedendaagse politieke praktijk. Waar het maatschappelijk akkoord in de zeventiende en achttiende eeuw nog werkte als een herkenbare ruil — burgers geven een deel van hun vrijheid, de overheid biedt bescherming en orde — is dat contactpunt volgens hem vandaag sterk vervaagd.
Van Doezum wijst op twee samenlopende processen die het vertrouwen in dat contract ondermijnen. Ten eerste is besluitvorming veel complexer geworden: keuzes komen niet alleen uit Den Haag maar ook uit Brussel, verdragen, uitvoeringsorganisaties en andere bestuurslagen. Die diffusie van macht — geen complot maar een logisch gevolg van verveelvoudigende regelgeving en specialisatie — maakt het voor burgers lastiger om te zien waar beslissingen vandaan komen en wie er verantwoordelijk is. Mensen ervaren de consequenties van beleid, maar herkennen zichzelf steeds minder in de totstandkoming ervan.
Ten tweede beschrijft hij een maatschappelijke verschuiving naar wat hij een "praatmaatschappij" noemt: debatten, nuance en interpretatie domineren, terwijl concreet handelen achterwege blijft. Over problemen wordt veel gesproken en verklaard — over burgers in plaats van met hen — waardoor actie vaak blijft hangen in bestuurlijke en discursieve processen. Nuanceren is waardevol, maar als het doel van overleg wordt, ontstaat verlamming: begrijpen vervangt doen, verklaren wint het van oplossen.
Deze twee ontwikkelingen raken het sociaal contract precies daar waar het kwetsbaar is. Vertrouwen groeit niet door uitleg alleen, maar door tastbare ervaringen waarin burgers merken dat hun inbreng iets oplevert. Als bestuurders vooral verklaren waarom iets niet mogelijk is en nauwelijks laten zien wat wél wordt bereikt, verschuift de perceptie van de ruil: men blijft gebonden aan verplichtingen maar twijfelt aan de opbrengst. De toenemende onvrede moet volgens Van Doezum daarom niet worden afgedaan als irrationeel, maar gezien worden als een signaal dat de balans tussen geven en nemen uit het zicht is geraakt.
Kortom: het sociale akkoord blijft formeel bestaan, maar verliest kracht zodra het niet meer herkenbaar is in het dagelijks leven van mensen. Herstel van dat vertrouwen vraagt minder uitleg in vergaderzalen en meer zichtbare resultaten en ervaringen voor burgers; anders volstaat geen enkele toelichting.