Gezondere samenleving begint bij de jeugd: 'Vroeger kregen we alleen op zaterdag een schoteltje chips en een glaasje fris'
In dit artikel:
Mensen zijn van nature gulzig en slaan in tijden van overvloed reservevoorraden op; dat biologisch gedrag botst met het huidige Nederlandse voedselsysteem en draagt bij aan de explosieve groei van overgewicht en aanverwante welvaartsziekten, betoogt voedingswetenschapper Jaap Seidell in zijn nieuwe boek Grenzen aan de gulzigheid (Atlas Contact). Seidell — emeritus hoogleraar voeding en gezondheid aan de VU in Amsterdam — beschrijft hoe obesitas niet langer vooral een ziekte van rijkdom is, maar steeds vaker een probleem onder mensen met lage sociaaleconomische status: wereldwijd heeft ongeveer de helft van de bevolking (ernstig) overgewicht, en in Nederland zijn de gezondheidsverschillen tussen arm en rijk groot (8–9 jaar verschil in levensverwachting; bijna 20 jaar in gezonde levensverwachting).
Seidell wijst de vinger vooral naar de omgeving: circa 80 procent van het supermarktaanbod is calorierijk en ongezond, kortingen gelden vaak voor snacks en houdbare producten, en voedselbanken ontvangen vooral producten zonder verse groente. Voor mensen met beperkte middelen wegen calorieprijs en onmiddellijke verzadiging zwaarder dan lange termijngezondheid; stress en onzekerheid beperken bovendien toekomstgericht gedrag. Daarbij komt dat veel mensen een vertekend beeld hebben van gezond gewicht en dat overgewicht soms wordt gezien als teken van welstand en gezondheid.
Om de trend te keren pleit Seidell voor actieve overheidsinterventie naast individuele verantwoordelijkheid. Hij benadrukt dat gezonde keuzes makkelijker moeten worden gemaakt: betere scholing over voeding (etiketten lezen, reclamekritiek, kooklessen), structurele ondersteuning van gezonde schoollunches en een voedingsomgeving die fysieke activiteit en veilig buitenspelen bevordert. Seidell verwijst naar een proefproject uit 2010–2011 op negen Amsterdamse basisscholen waar een gezonde lunch haalbaar en gewaardeerd bleek, en tot recente beleidsstappen: sinds maart 2023 loopt het Programma Schoolmaaltijden voor scholen met minstens 30% leerlingen uit lage-inkomenshuishoudens — bijna 1.800 scholen bieden nu gratis maaltijden, 700 scholen geven boodschappenkaarten.
Toch is hij kritisch: Nederland loopt achter bij landen als Frankrijk, waar leerlingen vaker warme, gevarieerde maaltijden krijgen. Ook het brede gebruik van continuroosters (korte middagpauzes) belemmert rustig lunchen en bewegen; onderzoek laat zien dat langere pauzes mentale en fysieke gezondheid, pestgedrag en schoolprestaties verbeteren. Seidell is betrokken geweest bij het Nationaal Preventieakkoord maar waarschuwt dat commerciële belangen de volksgezondheid ondermijnen: industrieën horen niet aan tafel te zitten bij het vaststellen van gezondheidsbeleid en moeten niet de maatregelen blokkeren die hun eigen winst schade zouden toebrengen, al kunnen ze later meewerken aan uitvoering (gezondere aanbiedingen, reformulering van producten).
Zijn advies aan de politiek is concreet: investeer in structurele preventie, herstel de bezuinigingen op organisaties als het Voedingscentrum en het RIVM, en maak de leefomgeving van kinderen weer veilig en gezond. Seidell sluit af met het beeld van zijn eigen jeugd: veilig straatspel en één keer per week chips — een tegenwicht tegen de huidige gewoonte dat tieners gemiddeld grote hoeveelheden suikerhoudende dranken consumeren. Zijn lange loopbaan (promotie 1986 in Wageningen; gedurende decennia actief aan de VU; betrokken bij WHO en Gezondheidsraad) onderbouwt zijn pleidooi voor systemische maatregelen tegen de „ziekmakende” voedingsomgeving.