Geert Hovingh (79) schreef een boek over predikanten die Joden hielpen. 'Ik zie dit als eerherstel voor de kerk'
In dit artikel:
Kerkhistoricus en oud-dominee Geert Hovingh (79) heeft in een omvangrijke studie aangetoond dat een aanzienlijk deel van Nederlandse predikanten actief Joden hielp tijdens de Tweede Wereldoorlog. Zijn boek Verberg de verdrevenen - Predikanten die Joden hielpen 1940–1945 (1040 pagina’s) wordt op 15 april gepresenteerd aan de Theologische Universiteit in Utrecht. Hovingh concludeert dat 606 predikanten — bijna 25 procent van alle dominees uit die tijd — betrokken waren bij hulpverlening en onderduik, en schrijft daarbij: „Er zijn heel veel levens gered.”
Hovingh werkte sinds zijn emeritaat in 2011 jarenlang aan het onderzoek. Hij verzamelde materiaal in bibliotheken, online, via interviews en publiceerde tussentijds bevindingen op de website van de Vrije Universiteit, wat reacties uit binnen- en buitenland opleverde en hem hielp details te verifiëren. Een eerdere versie is raadpleegbaar in de HDC Online Collectie van de VU Amsterdam. Het boek, uitgegeven door Vuurbaak, kost €49,99. Hoewel bedoeld als wetenschappelijk naslagwerk en te uitgebreid voor algemeen leesplezier, draagt het volgens Hovingh bij aan eerherstel van de kerk nadat de Protestantse Kerk in Nederland (PKN) in 2020 excuses aanbood voor haar rol in de Jodenvervolging — een moment dat Hovingh motiveerde omdat hij vond dat daar te weinig historisch onderzoek aan ten grondslag lag.
De studie bevat veel persoonlijke en opvallende anekdotes die het beeld van hulpverlening concreet maken: van een dominee die tijdens maaltijden alleen uit het Oude Testament voorlas uit respect voor Joodse onderduikers, tot dominee Jacob van Rootselaar die een Joods echtpaar meesmokkelde naar een nieuwe gemeente in boekenkisten — met hulp van een betrokken verhuizer die via een afgesproken liedje lucht gaf aan de verstopte mensen. Een van de geredde Joden, filmregisseur Hein Josephson, regisseerde na de oorlog korte films waaronder het debuut van Audrey Hepburn in Nederland.
Hovingh verklaart waarom predikanten vaak eerste aanspreekpunt waren: huisvesting, beroepsgeheim en religieuze plichtspeking maakten hen geschikt om onderduikers op te nemen. Zowel orthodox-gelovige predikanten, vanuit roeping en geloofsverantwoordelijkheid, als enkele ‘rode’ predikanten uit politieke overtuiging deden mee. Vrouwelijke predikanten kwamen vooral voor binnen vrijzinnige stromingen zoals doopsgezinden en remonstranten. De risico’s waren groot: gezinnen met jonge kinderen en soms Duitse kwartiering in hetzelfde huis.
Persoonlijk kon Hovingh geen promotieprocedure afronden vanwege beginnende Alzheimer; zijn vrouw Maaike fungeert als zijn geheugensteun. Hovingh en zijn team hopen dat er later een publieksvriendelijke bewerking met de mooiste verhalen verschijnt, maar niet geschreven door hemzelf. Op 15 april vindt rond de presentatie ook een symposium plaats in Utrecht; een van de laatste nog levende onderduikers die Hovingh opspoorde, Ben Benninga uit Veessen, zal aanwezig zijn.