Fries veemgericht: niemand is gebaat bij speculaties

maandag, 18 mei 2026 (16:00) - Friesch Dagblad

In dit artikel:

Dr. mr. H.L.C. Hermans, oud-rechter en rechtshistoricus, reageert op een snelle weerwoord van de heer Bouma (1 mei 2026) op Hermans’ eerdere stuk over een vermeend “veemgericht” binnen het Friese verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog. Centraal in de discussie staat niet louter of termen als ‘Raad’, ‘veemgericht’ of ‘krijgsraad’ binnen het verzet werden gebruikt, maar of er daadwerkelijk een collegiaal orgaan bestond dat voorgenomen liquidaties beoordeelde.

Hermans wijst op een notitie van 16 maart 1945 die verwijzingen bevat naar een doodvonnis, een Officier‑Commissaris, een Raad en meerdere afzonderlijke beoordelaars. In samenhang leest hij die aanwijzingen als bewijs voor een georganiseerde, geformaliseerde manier van besluitvorming over liquidaties — meer dan een interne tuchtraad voor kleinigheden. Hij benadrukt daarnaast dat de benaming Officier‑Commissaris destijds gebruikelijk was voor een onderzoeksrechter in militaire strafzaken.

Hermans merkt op dat Bouma’s stellingname tijdens het debat lijkt te zijn opgeschoven: waar eerst werd ontkend dat het veemgericht bestond, ligt de nadruk nu op het argument dat het niet zou hebben gefunctioneerd. Dat is volgens Hermans een wezenlijk verschil. Ook het bezwaar dat het orgaan geen verantwoording heeft afgelegd, acht hij niet overtuigend: van een clandestiene instantie valt doorgaans geen publieke verantwoording te verwachten, en het ontbreken daarvan bewijst noch ontkracht het bestaan.

Een belangrijke zorg van Hermans is dat Bouma volgens hem geen bewijs heeft geleverd voor de beschuldiging dat verzetsman Anno Houwing eigenmachtig doodvonnissen uitsprak en een schijn van een veemgericht creëerde. Hermans vindt het onzorgvuldig en moreel problematisch om een inmiddels overleden prominente verzetsman zonder deugdelijke onderbouwing zo negatief neer te zetten; hij verwijst naar verzetsleider Wijbenga die Houwing eerder als voorstander van regulering van liquidaties noemt. Over mogelijke civiel‑ of strafrechtelijke consequenties van dergelijke aantijgingen schrijft Hermans niet uit te weiden.

Op basis van beschikbare bronnen — onder meer de verklaring van de zoon van rechter Wedeven en naoorlogse rapportages uit Friese verzetskringen — concludeert Hermans dat er binnen de illegaliteit in Friesland sprake was van een vorm van georganiseerde beoordeling van voorgenomen liquidaties, met de beperkingen die heimelijkheid met zich meebrengt. Hij sluit af met de waarschuwing dat verder betrouwbaar bewijs lastig te vinden zal zijn en dat speculatieve herinterpretaties van het bestaande bronnenmateriaal niemand baten.