Fatal Flowers, Nederlandse topband uit jaren tachtig, voor even terug. 'We hebben iets opengebroken'
In dit artikel:
Fatal Flowers, in het laatste kwart van de jaren tachtig één van de meest opvallende en hard spelende gitaarbands van Nederland, is tijdelijk weer bijeen voor een reeks festivaloptredens met een try-out op donderdag 21 mei in Iduna, Drachten. Zanger-gitarist Richard Janssen (65) trad met gitarist Robin Berlijn, bassist Geert de Groot en drummer Henk Jonkers voor het eerst sinds de korte reünie van 2019 weer samen op en geeft toe zenuwachtig te zijn: „Ik loop wel rond met een knoop in mijn maag.”
De band begint terugkeer klein: eerst repeteren en enkele intieme shows in Cinetol (Amsterdam) om het onderlinge spel te herstellen, daarna een productiegerichte doorloop in Iduna waar geluid en licht getest worden. Op het festivalcircuit speelt Fatal Flowers een set die vooral op bekend repertoire gericht is, aangevuld met een klein akoestisch blokje.
De aanleiding voor de comeback is weinig complex: plezier en de behoefte even stil te staan bij het verleden. Het veertigjarig bestaan van hun album Younger Days biedt een mooie aanleiding en bij de vorige reünie hadden ze geen festivals aangedaan, wat ze nu willen inhalen. Nieuw materiaal staat niet op de agenda; het is vooral een oefening en een feestelijk terugkijken. Janssen werkt tegenwoordig vooral in het theater als sound designer (voornamelijk in Duitsland), terwijl de andere leden actief bleven in uiteenlopende Nederlandse bands — een verschil dat ook bijdraagt aan zijn zenuwen voor liveoptredens.
Janssen reflecteert uitgebreid op de veranderingen in de muziekindustrie sinds de hoogtijdagen van Fatal Flowers (circa 1986–1990). Toen speelde de band extreem veel — vaak meer dan honderd keer per jaar — en vond succes vooral plaats binnen het circuit van vrijwilligersgevulde poppodia; radiostations en grote podia gaven gitaarbands relatief weinig aandacht. Een platencontract bij Warner bracht kortstondig zelfs optredens in de VS, maar het afstoten van de Nederlandse artiesten door de maatschappij illustreerde volgens Janssen hoe weinig Nederlandse popmuziek toen internationaal serieus werd genomen.
Die periode kenmerkte zich door grote inzet en veel repeteren — iets wat binnen de scene als eigenzinnig werd gezien — en het leverde sterke platen en een solide livereputatie op. Financieel werden de leden er echter niet rijk van; ondanks uitverkochte zalen bleef er voor de band weinig over, waardoor Janssen in 1990 besloot te stoppen. De band besloot niet langer door te gaan toen het vooruitzicht was om voor halflege zalen te blijven spelen.
Janssen ziet de nalatenschap van Fatal Flowers vooral in het openbreken van deuren voor volgende generaties: waar zij tegen veel gesloten deuren aanliepen, bestaan nu popacademies, grotere podia en een industrie die bands serieuzer neemt. Namen als Anouk en Kane volgden een pad waarin popmuziek professioneler en bedrijfsmatig werd aangepakt. Hij vertelt ook anekdotisch over conservatieve reacties uit het verleden — bijvoorbeeld in Groningen, waar men zich stoorde aan het commerciële karakter van T-shirtverkoop — en relativeert het beeld van de band als puur meisjesmagneet: de concerten trokken een gemengd publiek.
Praktische informatie: het try-outconcert is op 21 mei in Iduna, Drachten; meer informatie via thefatalflowers.nl.