'Eerlijk?', 'dagdagelijks' en 'letterlijk'. Dit zijn de grootste taalergernissen van de afgelopen 10 jaar
In dit artikel:
Japke‑d. Bouma blikt terug op tien jaar schrijven over zogenaamde jeukwoorden — clichéachtige, vaak zakelijke uitdrukkingen die veelzeggend niets meer betekenen — en concludeert dat ze juist floreren. Eind oktober vroeg HP/De Tijd haar mee te denken over taaltrends voor 2025; dat leidde haar naar een LinkedIn-enquête waarin 935 reacties binnenkwamen over de ergste, meest onzinnige of juist toe te juichen taalveranderingen van het afgelopen jaar.
Bouma signaleert dat veel hedendaagse ergernissen draaien om twee dingen: overmatig jargon en een nieuwe golf van ‘geprofessionaliseerde empathie’-formules. Vaste kantoorklassiekers als ‘acteren’, ‘impact’, ‘borgen’ en Engelse leenwoorden als ‘onboarden’ blijven irritatie opleveren omdat ze vaagheidsbuffers zijn — woorden om belang te suggereren, verantwoordelijkheid te verzachten of onduidelijke handelingen te verhullen. Tegelijkertijd zijn er verse slachtoffers: zinnen als ‘ik check even bij je in’, ‘hoe voelt dit voor jou?’ en varianten van ‘eerlijk’ worden door veel respondenten als nep of affectief ervaren en roepen afkeer op.
Niet alle oudere jeukwoorden lijken te versterken; termen als ‘agile’, ‘papadag’ en ‘koffietje doen’ werden minder vaak genoemd — mogelijk omdat ze uit het zicht zijn geraakt of juist zo ingeburgerd dat ze niet meer opvallen. Toch vinden mensen altijd nieuwe targets: de lijst met doorlezers aangegeven ergernissen bevat onder meer horeca‑achtige frasen (‘ben je nog goed?’, ‘helemaal goed’), onnodige afkortingen en ongepaste Engelse uitdrukkingen. Daarnaast noemden velen grammaticale fouten en bont taalgebruik dat door gebrek aan taalkennis stoort (bijvoorbeeld ‘hij wilt’, ‘een beslissing maken’).
Een opvallend resultaat: vrijwel geen enkele nieuw opgekomen term uit het afgelopen jaar kreeg van lezers de aanbeveling om te worden behouden. Uitzondering was ‘twijfelkracht’, een woord dat Bouma zelf bedacht om twijfelen aan jezelf positief te heretiketteren — respondenten zagen daar wél waarde in omdat twijfel tot betere besluitvorming en uitgebreidere consultatie leidt. Bouma pleit er licht ironisch voor dat twijfelen geen zwakte is, maar een motor voor zorgvuldigheid.
Ze inventariseerde ook ranglijsten: ‘tijdloze knallers’ van jeukwoorden die maar niet verdwijnen; de top‑tien van taalergernissen die feitelijk fout zijn; en een opsomming van nieuwe jeukwoorden die dit jaar opvielen. Als ludieke bijdrage bedenkt ze alternatieven voor het in zwang geraakte ‘prompten’ (bijv. ‘denkstoot’ of ‘losvragen’).
Kortom: taalverandering zet door, maar de huidige fase kenmerkt zich door een overproductie aan vage, empathisch klinkende en Engelstalige termen die veel lezers irritant en leeg vinden. Bouma’s enquête illustreert dat mensen taalgebruik als sociale marker beschouwen: sommige woorden maken professioneel, anderen zetten juist af. Of ‘twijfelkracht’ volgend jaar ook jeukwoord wordt, blijft een feestelijke vraag — en mogelijk de cirkel rond.