Een nieuwe supermarkt? Dit is waarom dat altijd discussie oplevert: 'Er komt dan sowieso een gevecht'

zaterdag, 9 mei 2026 (08:26) - Leeuwarder Courant

In dit artikel:

Het besluit van gemeente Súdwest-Fryslân om een vierde supermarkt in Bolsward te weigeren veroorzaakte veel verbaasde reacties, zeker omdat vergelijkbare plaatsen zoals Stiens en Joure juist vijf vestigingen tellen. De discussie illustreert hoe gevoelig en complex de besluitvorming rond nieuwe supermarkten is.

Jeroen van der Weerd, zelf aangeduid als ‘supermarktgeograaf’, werkt landelijk voor formules als Albert Heijn, Jumbo en Dirk. Hij onderzoekt ter plaatse of een potentiële vestiging economisch haalbaar is: zo’n winkel vereist miljoeneninvesteringen en formules willen zekerheid dat voldoende omzet gegenereerd kan worden. Daarbij spelen niet alleen omzetberekeningen een rol, maar ook de zeer lage winstmarges in de branche en de concurrentiedruk van bestaande winkels.

Opening van een nieuwe supermarkt kan jaren vertraging oplopen. Van der Weerd noemt soms periodes tot wel tien jaar tussen idee en realisatie, vooral als lokale ondernemers sterke, goed onderbouwde bezwaren indienen en zaken uiteindelijk bij de Raad van State belanden. Supermarkten vechten hun concurrentiestrijd dus zowel in de schappen als via ruimtelijke procedures en politiek-bestuurlijke wegen.

Gemeenten hebben veel invloed: of een locatie geschikt is, hangt grotendeels samen met het bestemmingsplan. Lokale overheden proberen ruimtelijke ordening strak te regelen omdat de komst van een grote winkel (duizenden vierkante meters) grote gevolgen kan hebben voor winkelleegstand, de bezoekersstroom in bestaande winkelgebieden en daarmee de leefbaarheid in woonwijken. Als een supermarkt klanten weghaalt uit een kernwinkelgebied kan dat tot sluitingen en een negatieve spiraal leiden; daarom grijpen ambtenaren snel in als ze plannen ruiken.

Er bestaan verschillende instrumenten: maximalen op supermarktvierkante meters, functievoorschriften voor panden en steeds vaker een ‘paraplubestemmingsplan’ waarmee de gemeente het laatste woord behoudt. Van der Weerd waarschuwt echter dat sommige gemeenten doorschieten met regels. Hij stelt dat veel plannen zorgvuldig zijn voorbereid — inclusief vestigingsplaatsonderzoek naar demografie, concurrentie en omzetpotentieel — en dat onbegrip of gebrek aan kennis bij ambtenaren soms leidt tot onlogische tegenargumenten die politiek worden gedreven. Ook benadrukt hij dat formules vaak top-secret met hun plannen omgaan om procedurele tegenkrachten te ontwijken.

Praktisch: grote formules hebben doorgaans tussen de 1.200 en 1.400 m2 nodig om assortiment en exploitatie rond te krijgen, iets waar gemeenten volgens Van der Weerd rekening mee moeten houden. Zijn kernboodschap is tweeledig: gemeenten moeten de gevolgen voor bestaande detailhandel en woonleefbaarheid serieus afwegen, maar mogen daarbij niet te ver gaande regels opwerpen die gezonde investeringen blokkeren.