Een bulderend volkskoor in Matthäus Passion van NNO | recensie ★★★★☆
In dit artikel:
Hartmut Haenchen dirigeerde de Matthäus Passion van J.S. Bach met het Noord Nederlands Orkest, het Noord Nederlands Concertkoor en het Roder Jongenskoor; de recensie betreft de uitvoering van 27 maart in De Nieuwe Kolk, Assen (met vervolgvoorstellingen in Leeuwarden, Drachten en Groningen). De criticus stelt dat het niet draait om het etiket ‘barok’ of ‘historisch geïnformeerd’, maar om samenhang in stijl en expressie en of de uitvoering iets te vertellen heeft — en daarin hecht Haenchen doelbewust gewicht aan dynamische nuances.
Musici en koor volgden zijn gedetailleerde dynamische aanwijzingen trouw, wat de orkestpartijen meer reliëf gaf en de betekenis van de muziek verduidelijkte. Haenchen liet opvallend variabele koralen horen: wisselende tempi, dynamiek en soms ademloze pauzes gaven nieuwe zinnen aan vertrouwde passages. In sommige momenten leken de nuances echter te veel van het goede, bijvoorbeeld bij de zeer zacht ingezette strijkerslagen. Instrumentaal klonk het vaak mooi — de vioolsolo’s, fluit, hobo en gamba werden geroemd.
Het dramatische hoogtepunt lag in deel twee, rond het Barrabas- en volkskoor gevolgd door het koraal en de aria Aus Liebe, waar koor, orkest en sopraan bijna één geheel vormden. De solistische bijdragen waren wisselvallig: Kieran Carrel (Evangelist) leverde tekstueel inzicht maar soms te zacht; Arttu Kaja (Jezus) klonk enigszins verongelijkt en een tweede Eli-solo werd als vocaal onaangenaam beoordeeld. Judith Spiesser (sopraan) stak er positief bovenuit; de overige solisten hadden incidentele sterke momenten. Met sterker bezette solopartijen zou de Matthäus overtuigender zijn geweest.