Drugszaak Vidar: wet als grabbelton gebruikt | LC commentaar

maandag, 16 maart 2026 (11:12) - Leeuwarder Courant

In dit artikel:

In de Vidar-drugszaak liggen de veroordelingen van de verdachten vast nu de Hoge Raad heeft geoordeeld dat de procedures rondom de inzet van een criminele burgerinfiltrant volgens het Wetboek van Strafvordering zijn verlopen. Justitie zette een ex‑crimineel uit Leeuwarden in om te onderzoeken of Hells Angels in Harlingen met drugs handelden; hij orkestreerde namens de politie nepdeals en transporten. Op 2 maart 2020 leidde dat tot de inbeslagname van een partij speed, 28 arrestaties en het verdwijnen van de mol uit beeld.

De verdediging, onder meer advocaat Sander Janssen, betoogde dat het Openbaar Ministerie belangrijke waarborgen heeft geschonden: schriftelijke toestemming van de minister kwam te laat en andere regels voor het gebruik van een criminele burgerinfiltrant waren niet strikt nageleefd. Advocaten noemden dat vormverzuim; de rechtbank erkende dat in juli 2022 maar zag geen consequenties omdat de verdachten er in hun verdediging niet door zouden zijn geschaad. Het gerechtshof hield in augustus 2024 de inzet alsnog voor rechtmatig, ondanks dat de infiltrant tijdens het traject dementie ontwikkelde en last kreeg van wanen en gehoorproblemen. De Hoge Raad verwierp recent de cassatieklachten en stelt dat rechters niet gebonden zijn aan moties van de Tweede Kamer.

Historische achtergrond speelt een rol: na het IRT‑debaclé van de jaren negentig verbood de Tweede Kamer middels de motie Kalsbeek het gebruik van criminele burgerinfiltranten; sinds 2014 is hun inzet onder strikte voorwaarden opnieuw toegestaan (motie Recourt). Janssen hekelt dat de rechterlijke macht moties van de Kamer in de praktijk kan negeren, waardoor parlementaire keuzes volgens hem als een “grabbelton” worden behandeld — en overweegt een klacht bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens omdat een ingrijpend opsporingsmiddel volgens hem om een onomstotelijk, waterdicht stelsel van waarborgen vraagt.

Dit commentaar verscheen in de Leeuwarder Courant.