Directeur Gino Tibboel van gevangenis Leeuwarden gaat met pensioen en doet zijn verhaal. 'Ik ben me toen de pleuris geschrokken'
In dit artikel:
Gino Tibboel (64), vestigingsdirecteur van de gevangenis in Leeuwarden, gaat op 1 juni met pensioen. Tibboel, die al vanaf zijn achttiende werkt en sinds 2020 in Leeuwarden zit, blikt in een afscheidsinterview terug op een lange, afwisselende loopbaan (onder meer directeur in Amsterdam en het detentiecentrum Schiphol, plus ruim 25 jaar bij de brandweer) en raakt daarbij geen onderwerp uit de weg.
Tibboel profileert zich als een directe bestuurder die de pers niet schuwt en graag eerlijk communiceert. Voor zijn afscheidsreceptie wil hij in het Fries aankondigen dat hij stopt: op de uitnodiging staat “ik hâld der mei op”. Hij volgde cursussen om Fries te leren, maar beheerst de taal vooral in verstaan. In Leeuwarden geeft hij leiding over een ‘mini-samenleving’ van circa 240 gedetineerden, waar geen dag hetzelfde is en incidenten grote impact op personeel hebben.
Enkele ingrijpende gebeurtenissen illustreerden zijn tijd in Leeuwarden. In 2023 kwam een gedetineerde bij binnenkomst met een geladen pistool; het wapen was bij eerdere fouilleringen niet ontdekt en pas bij visitatie in Leeuwarden aangetroffen. Ook werd in december 2023 een zogeheten schietpen gevonden — een ogenschijnlijk gewone pen die als loop kan dienen — wat tot grote ongerustheid leidde. In 2020–2021 werden personeel en gevangenen geconfronteerd met vier suïcides binnen een jaar, iets dat Tibboel als bijzonder heftig omschrijft en dat veel medewerkers psychisch raakt.
Op personeelsvlak heeft Tibboel in zijn loopbaan uiteenlopende gevallen gezien: van smokkelen van telefoons en drugs tot medewerkers die privéproblemen kregen en ontslagen moesten worden. In Leeuwarden ziet hij de organisatie als relatief integer; corruptie is daar naar zijn gevoel geen probleem. De locatie kampt minder met wervingsproblemen dan veel andere penitentiaire inrichtingen, al is zorgpersoneel — met name psychologen — schaars.
Tibboel maakt zich zorgen over de veranderende populatie in detentie: ongeveer de helft van de gedetineerden heeft een licht verstandelijke beperking, forensische zorginstellingen zijn vol, en gevangenissen worden soms functioneel ingezet als vervanging voor zorginstellingen. Hij waarschuwt dat bewakers niet zijn opgeleid als langdurige zorgverleners en dat mensen met psychische problemen of complexe zorgvragen voor onrust op de afdelingen kunnen zorgen. De samenleving en het strafrecht “verharden”, volgens hem, terwijl onderzoek toont dat puur strenger straffen niet hetzelfde effect heeft als goede begeleiding.
Een terugkerend thema is Tibboels pleidooi voor meer zelfredzaamheid van gedetineerden. Hij pleit voor afdelingen zonder voortdurend toezicht van bewakers, waar groepen samen leven, zelf koken en schoonmaken — een model dat in Lelystad al wordt toegepast en volgens hem goed werkt. DJI (Dienst Justitiële Inrichtingen) noemt hij te risicomijdend en traag bij vernieuwing: procedures en regels van bovenaf remmen volgens hem experimenten en kleine fouten accepteren is volgens hem noodzakelijk om te leren en te verbeteren. Hij stelt dat fouten onvermijdelijk zijn — voorbeelden uit zijn carrière zijn een te vroeg vrijgelaten gedetineerde op Schiphol en een administratieve fout in Leeuwarden — en dat het leren van fouten belangrijker is dan direct top-down strikte maatregelen opleggen.
Over levenslang is Tibboel genuanceerd: voor extreme misdrijven vindt hij langdurige opsluiting begrijpelijk, maar hij vraagt zich af of iemand veertig jaar later nog hetzelfde behandeld moet worden, zeker als dementie of hoge ouderdom speelt; soms kan verplaatsen naar een verzorgingstehuis zowel menselijker als goedkoper zijn.
Privé wil Tibboel na zijn vertrek juist geen publieke duider worden; hij ziet uit naar meer tijd voor familie, vrienden en zijn hobby’s zoals crossfit, sportduiken en onderwaterhockey. Zijn opvolger in Leeuwarden wordt plaatsvervangend directeur Laura van Campen. Tibboels vertrek sluit een carrière af die zich kenmerkte door praktisch optreden, weinig schroom om knelpunten aan te kaarten en een duidelijke voorkeur voor pragmatische vernieuwing binnen het gevangeniswezen.