De staat verliest zijn neutraliteit en wordt steeds meer partij in de samenleving

woensdag, 6 mei 2026 (19:14) - Friesch Dagblad

In dit artikel:

Paul Frissen, emeritus hoogleraar bestuurskunde en auteur van meerdere boeken over de staat, schetst in zijn nieuwste boek De Neutrale Staat een zorgelijk beeld: de staat verliest zijn neutraliteit en daarmee zijn vermogen als onpartijdige arbiter in een steeds polariserender samenleving. Waar vroeger instituties en overleg nog rust konden brengen, botsen nu rechts-populisten en activistisch links steeds harder — niet alleen verbaal, maar via straatprotest, bestuursstrijd en rechterslijke uitspraken.

Frissen bouwt zijn betoog voort op Hannah Arendts onderscheid tussen drie menselijke sferen: het animal laborans (dagelijkse arbeid en consumptie), de homo faber (maken en technocratische planning) en de handelende mens (burgerschap, openbaar debat en politieke actie). Voor het laatste is juist een neutrale, publieke ruimte en een staat nodig die verschillende burgers bijeenbrengt en als scheidsrechter fungeert. Die scheidsrechterfunctie bedreigt volgens Frissen steeds meer te verdwijnen: het spel tussen politieke tegenstanders wordt grimmiger, het overleg stokt en incidenten — zoals gewelddadigheden rond voetbalwedstrijden — laten zien hoe snel regels kunnen ontsporen.

Historisch zag men soms wat Frissen “repressieve tolerantie” noemt: radicale kopstukken werden ingekapseld door hen bestuurlijke rollen te geven (voorbeeld: Max van den Berg). Tegenwoordig lukt dat minder vaak; Geert Wilders weigert zich bijvoorbeeld te laten inkapselen en ontwrichtte coalities. Aan de andere kant organiseerde activistisch links zich minder binnen partijen en floreert via straatprotesten (wegblokkades, snelwegbezettingen) en via de rechterlijke weg. Frissen maakt zich vooral zorgen over die laatste route: een groeiende rol van activistische rechters — nationaal en Europees — die politieke doelen verwoorden en daarmee de scheidslijnen tussen wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht vermengen. Het Urgenda-arrest, waarin de staat door de rechter werd verplicht extra broeikasgasreducties te realiseren, is voor Frissen een kantelpunt: het toont hoe rechters soms beslissen over doel-middel-relaties die eigenlijk politiek en uitvoerend zijn.

Frissen waarschuwt dat zulke rechterlijke uitspraken vaak te optimistisch veronderstellen dat de staat aan een simpele knop kan draaien. Hij illustreert de complexiteit met de Jevons-paradox: efficiëntieverbeteringen leiden niet automatisch tot minder gebruik (mensen compenseren door meer te verbruiken). Ook economen als Lans Bovenberg wezen er vroeger op dat de milieueffecten van belastinginstrumenten onzeker zijn. Frissen suggereert dat politieke keuzes en geostrategische maatregelen (bijvoorbeeld blokkades van olie-transportwegen) soms meer effect hebben dan rechterlijke vonnissen of theatrale acties op snelwegen.

Daarnaast wijst Frissen op een lange-termijnverandering: de staat heeft zich ontwikkeld van een neutrale scheidsrechter naar verzorgende macht. Na de oorlog werden sociale verzekeringen opgebouwd; discussies over werknemers- versus volksverzekeringen en over subsidiariteit speelden een rol in hoe ver de staat de verzorging trof. Volgens Frissen is die verstatelijking — het veranderen van rechten in voorzieningenkunstjes die politiek afhankelijk zijn — een verzwakking. De AOW, ooit dichter bij een verzekerd recht, is een politiek instrument geworden; voorzieningen stapelen zich op zonder rem, de rekening komt bij werkenden te liggen, en partijen die traditioneel voor die belangen opkwamen (zoals de PvdA) verliezen hun greep.

Samenvattend signaleert Frissen een staat die aan effectiviteit en gezag inboet omdat hij partij lijkt te kiezen: politiek, juridisch en sociaal. Zijn oproep is terug naar een staat die neutraal arbitreert, de publieke ruimte voor handelende burgers bewaart en de juiste scheidslijnen tussen politiek, bestuur en recht handhaaft. De auteur van het artikel, econoom Gerrit de Jong, prijst Frissen om zijn prikkelende en doorwrochte denken over deze vraagstukken.