De staat gebruikt verkeersboetes oneigenlijk en overtreedt daarmee de wet
In dit artikel:
De verkeersboetes gaan omhoog met de inflatie (plus 2,7%), ondanks felle kritiek van juridische instanties. Openbaar Ministerie, CJIB en het WODC waarschuwen dat het boetestelsel niet meer primair verkeersveiligheid dient, maar als stabiele inkomstenbron voor de rijksoverheid fungeert. Eerder dit jaar concludeerde het WODC dat het systeem “uit zijn voegen barst”: sinds 1990 is het gemiddelde boetebedrag met 220% gestegen, terwijl de consumentenprijs met ongeveer 70% toenam. Verkeersboetes liggen bovendien circa 30% hoger dan andere OM-boetes.
Bij een rondetafel in de Tweede Kamer (april) wees een rechter van de Raad voor de Rechtspraak erop dat hoge boetes als een “schuldenversneller” werken: de staat, al grootste schuldeiser, drukt mensen die boetes krijgen dieper in financiële problemen, wat leidt tot sociale kosten die de overheid weer moet dragen. Ook is kritiek op de escalatiemogelijkheid bij inning (aanmaning +50%, later +100%) en op het feit dat de staat wel administratiekosten (± €9) in rekening brengt terwijl commerciële incassobureaus dat niet meer mogen.
De opbrengst van verkeersboetes gaat naar het ministerie van Justitie en bedraagt ruim een miljard euro; volgens het WODC is dat een oneigenlijk gebruik van een maatregel die volgens artikel 3.3 Awb bedoeld is voor verkeersveiligheid, niet als verkapte belasting. Het rapport adviseert de praktijk te stoppen: de begrotingsgaten moeten elders worden gedicht en, zolang boetes toch instrumenteel blijven, zouden opbrengsten beter naar het Infrastructuurfonds kunnen vloeien.