De sonates van Domenico Scarlatti: glashelder
In dit artikel:
Domenico Scarlatti (1685–1757) verdient volgens recensent Jan Ybema veel meer aandacht dan hij doorgaans krijgt: hoewel hij een jaargenoot was van Bach en Händel, is zijn naam veel minder bekend, terwijl zijn 555 sonates voor klavecimbel muzikaal vaak tot de mooiste barokstukken voor solo-klavier behoren. Van zijn overige werk is weinig bewaard gebleven en wat er is, zoals fragmenten van opera’s, wordt niet hoog aangeslagen; het zijn vooral die kortere sonates (meestal twee tot zes minuten, vaak tweedelig met herhalingen) die van blijvende waarde zijn.
Ybema vertelt hoe hij Scarlatti aanvankelijk ontbeerde in de platenkast van zijn jeugd en later een cd met vijftien sonates van Ivo Pogorelich op een moderne piano kocht — volgens hem komen deze stukken verrassend goed uit op pianogeluid in plaats van het klavecimbel. Hij beschrijft de sonates als kristalhelder, licht van kleur en vaak snel en virtuoos; tegelijk zijn er ook bedachtzame, indrukkende voorbeelden die boven het gemiddelde uitstijgen, zoals K27, K380 en K87. Bekende pianisten als Martha Argerich brengen de dramatische energie van sommige stukken overtuigend over.
Kortom: Scarlatti’s sonates combineren virtuositeit en fragiele schoonheid en verdienen meer bekendheid. Hun korte, vaak grillige karakter en soms Iberisch-getinte ritmiek (Scarlatti werkte lange tijd op het Iberisch schiereiland) maken ze tot unieke parels binnen de barokrepertoire.