De oorlog was voorbij: tijd om te sporten. Waarom zoveel sportclubs nu hun tachtigjarig bestaan vieren

vrijdag, 5 juni 2026 (19:14) - Friesch Dagblad

In dit artikel:

In Fryslân ontstond na de Tweede Wereldoorlog een duidelijke opleving in het verenigingsleven: veel voetbal- en korfbalclubs zijn dit jaar of kort geleden tachtig jaar geworden omdat ze direct na de bevrijding werden opgericht. Voorbeelden zijn Fuotbal Foriening Stobbegae (FFS) in Stobbega (nu Vegelinsoord), begonnen in mei 1945 op weilanden van familie Hoks met een eenvoudig wit-shirt en zwarte broek, en SDO (nu vv Jubbega) een maand eerder. In 1946 waren er bijzonder veel nieuwelingen: onder meer Balk, Drogeham, VVI (Idskenhuizen), Bakhuizen, Makkum, Harkemase Boys, Harkema Opeinde, Nijland, De Wâlden (Damwâld) en Nieuweschoot. Ook in 1947-1949 werden nog veel verenigingen opgericht; daarna stokte de groei totdat in de jaren vijftig weer nieuwe clubs verschenen.

Historicus Michel van Gent (Huygens Instituut) ziet deze golf ook landelijk terug en werkt aan een databank met gegevens over sportbonden en clubs. Zijn cijfers laten zien dat veel korfbalverenigingen in Fryslân in de jaren veertig ontstonden: tussen 1941 en 1948 waren dat er 79, waarvan er nog maar een handvol bestaat — na recente samenvoegingen blijven er straks nog zo'n tien over. Veel van die clubs hadden een christelijke achtergrond; dat leidde in maart 1946 tot de oprichting van een Friese afdeling van de Christelijke Korfbalbond, wat kortstondig tot wrijving met de neutrale bond leidde totdat landelijke bonden afpraken elkaar niet actief te benaderen.

Meerdere verklaringen liggen aan die oprichtingsgolf ten grondslag. Allereerst speelde de behoefte aan vrije ontspanning na de bezetting een rol: mensen wilden weer onbezorgd samenkomen en recreëren. Praktische redenen maakten voetbal en korfbal populair: beide sporten kunnen op eenvoudige weilanden worden gespeeld en de KNVB stelde destijds weinig eisen aan een speelveld, waardoor een club oprichten relatief goedkoop en laagdrempelig was. Voor sporten als hockey of tennis waren betere terreinen en soms koninklijke erkenning nodig, wat drempelverhogend werkte.

Daarnaast blokkeerde de bezetter tijdens de oorlog met bureaucratische controle (het Commissariaat voor niet-commerciële verenigingen en stichtingen, CNVC) veel officiële oprichtingen; vanaf 1942 nam men zelfs geen nieuwe registraties meer aan. Na de oorlog vervielen die barrières, waardoor veel groepen die tijdens de bezetting informeel bijeen waren geweest, nu officieel verenigden. Ook speelde mee dat sport in de laatste oorlogsjaren afgenomen werd door de geallieerde opmars, de Hongerwinter en samenscholingsverboden; na de bevrijding was er ruimte om dat sociale leven opnieuw in te richten.

Een derde motief was opvoeding en maatschappelijke ordening: bestuurders wilden jongeren na de oorlog weer disciplineren en positieve leiderschapscursussen organiseren. Verder bood korfbal als mixed-gender sport sociale ontmoetingskansen, wat het populair maakte in dorpen. Ook de aantrekkingskracht van succesvolle topclubs en vedettes — in Fryslân bijvoorbeeld Abe Lenstra met Heerenveen — droeg mogelijk bij aan de enthousiasme om zelf een club te beginnen. Tijdens de oorlog nam ook het publiekssportbezoek toe bij topwedstrijden, wat de betrokkenheid vergrootte.

Kortom, de vele Friese clubs die nu rond de tachtig staan zijn het product van praktische, sociale en politieke omstandigheden rond 1945: een combinatie van vrijheidsdrang na de bezetting, wegnemende bureaucratische belemmeringen, lokalisatie van speelruimte op weilanden, de wens tot maatschappelijke heropvoeding en inspirerende voorbeelden uit het betaalde en amateurvoetbal. De historische bronnen en de komende databank van Van Gent moeten het beeld verder verfijnen en aantonen dat deze opleving onderdeel was van een landelijke trend in het naoorlogse verenigingsleven.