De Nederlander is een genotzuchtige individualist, zegt opiniepeiler Peter Kanne. 'We willen geen offers meer brengen'
In dit artikel:
Peter Kanne, een van Nederlands bekendste opinieonderzoekers, publiceerde deze week Lang zal ik lekker leven, een boek waarin hij met cijfers en bestaand onderzoek concludeert dat de moderne Nederlander sterk individualistisch en genotzuchtig is — rijk, tevreden op veel terreinen, maar slecht bestand tegen tegenslag en weinig bereid om iets van zijn verworvenheden op te geven voor het collectief. Het boek en het interview met Kanne vonden plaats terwijl in Den Haag coalitieplannen werden gepresenteerd door Rob Jetten, Dilan Yesilgöz en Henri Bontenbal; Kanne gebruikt actuele politieke keuzes (zoals het in stand houden van de hypotheekrenteaftrek) als illustratie van het grotere patroon: beleid dat korte-termijnbelangen van specifieke groepen bevestigt maar ongelijkheid bestendigt.
Kanne schetst een lange culturele verschuiving: van subassertiviteit in de verzuilde jaren, via emancipatoire assertiviteit, naar een hedendaagse vorm die hij soms agressief noemt — een ik-cultuur waarin persoonlijke rechten en eigen genot dominant zijn en het wij-gevoel verzwakt. Sociale media en Big Tech hebben volgens hem het aanvankelijk emanciperende internet omgevormd tot instrumenten die mensen in bubbelachtige, op het individu gerichte circuits duwen. Paradoxaal genoeg leeft Nederland hoog op lijsten van geluk en welzijn en is er tegelijk veel onbehagen over de toekomst: “we zijn kerngezond, maar we denken dat we ziek zijn,” zoals Kanne het samenvat.
Gevolgen ziet hij op meerdere niveaus: politieke kortzichtigheid, gebrek aan solidariteit tussen huiseigenaren en huurders, verminderde bereidheid tot offers in crises en een neiging tot wat hij ‘innere Emigration’ noemt — terugtrekken in veilige privésferen terwijl anti-democratische stemmen terrein winnen. Kanne waarschuwt dat terugtrekking ruimte creëert voor autoritaire krachten en roept op tot meer burgerlijke actie: niet per se een oproep tot revolutie, maar wel tot wakker worden en het durven nemen van offers, van kleine alledaagse betrokkenheid tot deelname aan protesten zolang dat nog mogelijk is.
Praktische aanbevelingen in zijn boek en interview zijn concreet: meer de dialoog zoeken met andersdenkenden, minder snel oordelen, minder eindeloos scrollen op telefoons, en als samenleving via democratische druk de overheid laten kiezen voor publieke gezondheid en bestaanszekerheid boven winstmaximalisatie van bedrijven. Kanne benadrukt dat hij dit boek op persoonlijke titel schreef, en dat hij niet het Nederlandse volk wil bestempelen als kwaadaardig — hij wijst vooral op patronen van zelfgenoegzaamheid en kortzichtigheid die in de cijfers zichtbaar zijn.
Persoonlijk verweeft Kanne zijn analyse met herinneringen aan zijn jeugd in Joure en Friesland, waar hij als buitenstaander de waarde van gemeenschap leerde kennen. Dat persoonlijke element versterkt zijn pleidooi: de slinger van individualisme kan mogelijk terugslaan naar meer gemeenschapsgevoel, maar dat vereist bewuste inspanning van burgers en leiders. Hij noemt ook termen als ‘hedofascisme’ — de politieke inzet van genot en behoud — en bekritiseert wereldleiders die handelen vanuit recht van de sterkste; tegelijkertijd meent hij dat er leiders nodig zijn die grenzen durven stellen en richting geven.
Kortom: Kanne ziet Nederland als welvarend maar kwetsbaar, met een cultuur van persoonlijke beloning die solidariteit ondermijnt. Zijn oproep is zowel intellectueel als normatief: meet de patronen, erken de risico’s, en handel — op kleine en grote schaal — om het wij-gevoel te herstellen. Boekgegevens: Lang zal ik lekker leven — de genotzuchtige Nederlander: van ik-verslaving naar wij-gevoel (J.M. Meulenhoff).