De katten van Teheran | column Joost Oomen
In dit artikel:
Een denkbeeldige katteneigenaar in Teheran verlaat op een koude avond zijn appartement — met twee katten aan wie hij namen gaf als ze kitten waren — om deel te nemen aan een straatprotest. Terwijl hij te voet door de stad loopt (de auto en metro zijn te risicovol), groeit de menigte; bekenden tussen de betogers veranderen in onverwachte bondgenoten. Leuzen van verschillende groepen vervloeien tot een machtige stroom van geluid die weerkaatst op de kille gevels van het grote plein.
De sfeer slaat om als er schoten klinken: paniek, mensen rennen, iemand weet niet of hij geraakt is, en de massale samenkomst verandert in losse, angstige groepen. Daarna keert de verteller terug naar huis, ontdekt een plotse scheur in zijn jas, ziet de ogen van zijn katten in het donker en kijkt, bezorgd naar het oosten, hopend op troost en een nieuwe dageraad.
Uiteindelijk onthult de schrijver dat het hele tafereel fictief is — geen telefoonbeelden uit Iran, geen echte katten — maar benadrukt juist daardoor het nut van verbeelding. Terwijl autoriteiten informatie kunnen blokkeren of misdaden verbergen, kan empathie niet worden uitgeschakeld: je kunt je inleven in de situatie van anderen, meeleven en op basis daarvan druk leggen op eigen leiders om echt te handelen. De tekst gebruikt alledaagse details en intense beelden om stil te staan bij de macht van verbeelding als brug tussen afstand en betrokkenheid.