De honger naar kennis van psycholoog en columnist René Diekstra (79) valt niet te stillen. 'Ik leer minstens zoveel van de mensen die mij lezen als zij van mij'

zaterdag, 10 januari 2026 (12:12) - Leeuwarder Courant

In dit artikel:

René Diekstra, de bijna 80‑jarige psycholoog en jarenlang columnist, stopt met zijn wekelijkse Denkwijzer‑bijdrage in de zaterdagbijlage; de vaste rubriek houdt op te bestaan door een nieuwe opzet van die bijlage vanaf 17 januari. Na bijna veertig jaar en naar eigen telling 1.448 afleveringen zal Diekstra wel onregelmatig blijven schrijven, afhankelijk van de actualiteit.

Diekstra woont in Leiden en is een productief publicist en wetenschapper: tientallen boeken (meer dan vijftig), columns, tv‑werk en functies bij onder meer de Universiteit Leiden, WHO, UNHCR en Roosevelt Academy. Zijn nieuwste boek Psychologie voor elke dag verschijnt met op de omslag de aanduiding “Nederlands bekendste psycholoog”; de auteur schenkt de royalty’s van dat boek aan een hulpactie voor Oekraïne. (Ter context: royalty’s zijn meestal 8–15% van de verkoopprijs; het boek kost €24,99.)

Het interview schetst ook persoonlijke achtergronden: geboren in Sneek in 1946 als een van elf kinderen, via het kleinseminarie en een stage als leerling‑psychiatrisch verpleegkundige belandde hij in de psychologie (studie in Nijmegen, promotie cum laude). Diekstra legt uit dat zijn nieuwsgierigheid en de drang kennis te verwerven en te delen hem altijd hebben gedreven. Zijn werkkamer en nachtelijke schrijfritueel illustreren hoe spontaan ideeën bij hem ontstaan en worden uitgewerkt.

Belangrijke thema’s in zijn columns en werk zijn de zin van het leven en suïcidepreventie. Diekstra pleit ervoor niet te vermijden het woord suïcide te gebruiken: concrete, open gesprekken over suïcidale gedachten maken het gedrag bespreekbaar en verkleinen de kans op daadkracht. Hij illustreert dat met een werkwijze — vragen naar concrete plannen, samen een afscheidsbrief bespreken of schrijven — die bedoeld is gedachten te expliciteren zodat ze te sturen zijn. Daarbij benadrukt hij dat ook niet‑therapeuten, zoals huisartsen of familie, doortastend kunnen en moeten doorvragen.

De tekst bespreekt verder maatschappelijke observaties: een cultuurverandering waardoor mannen vaker emotionele vragen stellen, en het verdriet van ouders over verbroken contact met volwassen kinderen. Diekstra noemt vormende ervaringen, zoals werk in psychiatrie en belasting van erfkwesties, als aanleidingen om onderwerpen te onderzoeken waar de psychologie volgens hem te weinig aandacht aan schenkt.

De affaire rond plagiaat in 1996 wordt kort belicht. Destijds werd hij beschuldigd van het overnemen van andermans werk; een commissie vond de plagiaaverdacht niet houdbaar maar oordeelde dat Diekstra in populair‑wetenschappelijke werken onzorgvuldig had gehandeld. Hij nam eervol ontslag als hoogleraar. Tegenover de interviewer zegt hij dat de kwestie voor hem afgesloten en irrelevant is, al heeft ze zijn loopbaan veranderd. Later verscheen in 2020 een boek dat betoogt dat de aantijgingen vals waren en van een leerling afkomstig.

Ten slotte levert Diekstra ook politieke, psychologische duiding: hij noemt wereldleiders als Poetin en Trump “treiteraars” en pleit voor harde tegenactie uit psychologisch motief — stellingnames die als provocerend en controversieel kunnen worden ervaren. Ondanks alle commotie blijft hij schrijven en contact zoeken met lezers; de interactie met publiek en het beantwoorden van vragen noemt hij een belangrijke drijfveer om door te blijven gaan, ook nu zijn wekelijkse kolom stopt.