De grutto heeft nog wat meer meewind nodig
In dit artikel:
Ongeveer 15 procent van het landbouwareaal in It Lege Midden wordt beheerd met maatregelen voor weidevogels; ruim de helft van de boeren in het gebied (275 van circa 500) is lid van Agrarisch Collectief It Lege Midden. Het collectief, geleid door Theunis Osinga, werkt in het veenweidegebied ten noorden van Nes en bestrijkt een groot terrein van zuid-Leeuwarden tot de Noordoostpolder en De Alde Feanen. Van de ongeveer 35.000 hectare landbouwgrond valt 5.500 hectare onder weidevogelbeheer, gemiddeld zo’n twintig hectare per deelnemende boer.
Het beheer bestaat uit meer dan twintig vergoedingspakketten met uiteenlopende zwaarte: de meest voorkomende, lichtste maatregel is het lokaliseren en markeren van nesten zodat bewerkingen ze kunnen ontwijken; zwaardere maatregelen omvatten niet maaien tot 15 juni, aanleg van kruidenrijk grasland, plas-drasgebieden, het verhogen van waterpeilen en gebruik van ruige mest. Sommige percelen worden structureel natgehouden met pompen om bodemvocht te stimuleren, omdat vochtige grond belangrijk is voor het voedsel van grutto’s en andere weidevogels. De deelnemende boeren sluiten doorgaans contracten van zes jaar. Wel vormt de financiële afweging een knelpunt: vergoedingen compenseren niet altijd volledig de gemiste inkomsten, vooral bij hoge melkprijzen, en als meer dan 20 procent van een bedrijf zwaar beheer vereist kan dat bedrijfsvoering nadelig raken — daarvoor bestaat een hectaretaslag.
De aanleiding voor het beheer is urgent: de gruttopopulatie is in dertig jaar gedaald van 125.000 naar 25.000 broedparen door landschapsintensivering, voortgang van predatoren en veranderde voedselketens. In It Lege Midden werden recentelijk 814 succesvolle gruttonesten geteld (fluctuaties van jaar tot jaar blijven optreden); andere soorten laten vergelijkbare schommelingen: kievit (1.784 nesten), tureluur (595) en scholekster (298). Het bruto territoriaal succes (BTS) van gruttokuikens in het gebied is 58 procent; voor een stabiele populatie is minimaal 70 procent nodig. Daarom wil het collectief zwaarder beheer op meer plekken invoeren—meer plas-dras, vaker hogere waterstanden en grotere aaneengesloten beheergebieden — om geïsoleerde, kwetsbare populaties te verbinden en predatiegevoeligheid te verminderen.
Naast habitatmaatregelen richt het collectief zich op samenwerking tussen boeren, loonwerkers, nazorgers en jagers. Osinga benadrukt dat het probleem niet bij individuele boeren ligt maar bij het bredere systeem van wereldmarkt en landbouwbeleid waarin zij werken. Praktische acties omvatten nestregistratie met behulp van vrijwilligers en drones, voorlichtingsevenementen om begrip en motivatie te vergroten, en predatorbeheer (zoals het beperken van vrij rondlopende katten tijdens het broedseizoen en bestrijding van vossen en marters).
Het project maakt deel uit van landelijke initiatieven zoals het Aanvalsplan Grutto; de overheid wil het areaal agrarisch natuurbeheer uitbreiden en maakte honderden miljoenen euro’s vrij om dat mogelijk te maken. Toch blijft het vinden van voldoende deelnemers en het uitbreiden naar robuustere, samenhangende weidevogelgebieden cruciaal. Osinga, die van kinds af aan met het veenweidelandschap is verbonden, pleit niet uit nostalgie maar om de behoudswaarde van het landschap te behouden: zonder meer aangesloten boeren en zwaarder beheer blijft het lastig om populaties als de grutto op lange termijn te herstellen.