De dag dat Franeker en Makkum Oranje over de vloer kregen: 'Wy moasten dit oanpakke as wie it in ramp'

maandag, 20 april 2026 (18:26) - Leeuwarder Courant

In dit artikel:

Oud-burgemeester Theunis Piersma (Wûnseradiel) en ex-burgemeester Marian Haveman (Franekeradeel) blikken terug op de voorbereidingen en ervaringen rond Koninginnedag 30 april 2008, toen koningin Beatrix met haar gezin Makkum en Franeker aandeed. Het bezoek kwam niet spontaan: het idee leefde in Makkum al sinds een eeuwfeest van de lokale Koninginnevereniging in 1998. Piersma zette vanaf 2004 stilletjes een petit comité op om de komst te bewerkstelligen en wist uiteindelijk via contacten bij het koninklijk huis en commissaris Ed Nijpels de datum binnen te halen.

De organisatie verliep uiterst zorgvuldig en secretief. Piersma, politiechef Klaas Groeneveld en enkele anderen vormden een vertrouwelijke werkgroep die in de gemeentekalender gekscherend als “Werkgroep KGB” stond (Klaas, Groeneveld, Boargemaster). Het draaiboek was minutieus: helikopters landden op het voetbalveld, routes en timing waren tot op de seconde uitgewerkt en er vonden generale repetities plaats met lokale stand-in-queens. Piersma benadrukt dat je zo’n dag als een ramp moet benaderen om er uiteindelijk een feest van te maken.

Financiën waren een belangrijk onderwerp. Piersma informeerde de gemeenteraad vroegtijdig over de kosten: waar Almere ooit rond de 600.000 euro uitgaf, rekende Wûnseradiel op ongeveer 350.000. De totale rekening voor beide gastgemeenten liep uiteindelijk op tot circa 800.000 euro, waarvan de provincie 300.000 dekte. Haveman protesteerde later dat zulke landelijke manifestaties eigenlijk op rijksbegroting thuishoren; ze nuanceert dat het feest leuk was maar weinig blijvend toeristisch voordeel opleverde.

Stijl en voorkomen speelden een onverwachte rol. Haveman zag in 2006 hoe een burgemeester in Almere de koningin kon overstralen en besloot voor Franeker bewust te kiezen voor een bescheiden, stijlvolle verschijning: een mantelpak van couturier Frans Molenaar en een ambtsketen die door de stadsjuwelier discreet werd aangepast. Máxima en de jonge prinsessen vielen dat jaar juist op met opvallende outfits en zelfs high heels tijdens traditionele spelonderdelen.

Culturele trots en lokale inzet kwamen duidelijk naar voren in Franeker. Piersma wilde zijn welkomstwoord volledig in het Fries houden — een kwestie van identiteit — en waakte er routinematig voor dat de vorstin geen taalfout zou maken; hij corrigeerde zelfs een Friese vertaling in het informatieve boekje en kreeg later een correcte “tige tank” uit Beatrix’ mond. Kunstenaars en instellingen uit de streek — van theater en planetarium tot museum en kaatsbond — zetten shows en demonstraties neer: kinderen schaatsten met Willem-Alexander en Máxima, Eise Eisinga ‘vloog’ bij de Martinikerk en prinsen en prinsessen kaatsten op het PC-veld.

Er zijn ook menselijke, lichte anekdotes: commissaris Nijpels gedroeg zich uitgelaten op de kade (Piersma noemt hem “hoteldebotel”), een tangodanseres in Friese vlagjurk verleidde de Oranjes tot een dansje, en beide burgemeesters herinneren zich de opluchting toen het strak geplande programma ongeschonden verliep. Tegelijkertijd bleef de realiteit van risico’s aanwezig: Haveman dacht later met afschuw terug aan de aanslag in Apeldoorn, en besefte hoe snel een feest tot ramp kan keren.

Beide burgemeesters kijken tevreden terug op de dag zelf—het gevoel dat ze “het geflikt” hadden—maar kritisch naar de opbrengst op lange termijn. Piersma ziet wel enige nabrand via merchandising en lokale trots; Haveman noemt het vooral een mooie, intense dag die weinig blijvende economische boost opleverde.