De charme van 'Ik vertrek': je vraagt je altijd af of het iets voor je zou zijn | column Asing Walthaus
In dit artikel:
De aantrekkingskracht van emigratieprogramma’s als Ik vertrek zit erin dat je je makkelijk afvraagt of je het zelf zou kunnen. Twee vrienden, G en E, besloten zonder tv‑ploeg de proef op de som te nemen en kochten jaren geleden een overwoekerd stuk grond in Umbrië. Langzaam maakten ze er een overzichtelijk, golvend terrein van met olijfbomen, kersen en druiven; een elektrische afrastering houdt wilde zwijnen en soms verre huilende wolven op afstand. Op het land staan meerdere gebouwen: zij wonen in één daarvan, terwijl in een ander nog wordt gebouwd met graafmachines.
Vanaf hun terras heb je wijd uitzicht over het eigen terrein, het dal, de snelweg naar Rome en de nevelige Toscaanse bergen. De buurt telt veel expats — een heuvel heet zelfs ‘de Nederlandse berg’ — en er wonen notabelen; G wijst onder meer naar een gravin en een huis van Mario Draghi dat ’s avonds door politie‑lighting opvalt.
De auteur logeert in Città della Pieve, een middeleeuws stadje waar het dagelijks leven gewoon doorgaat: schoolgaande kinderen, espresso bij antiche caffetaria Matucci en vriendelijke begroetingen. Toch blijkt dat verhuizen niet automatisch loskomen van het thuisland: G blijft fel praten over Nederlandse televisie, politiek, het sluiten van Groningse gasputten en immigratie — een reminder dat fysieke afstand persoonlijke opvattingen niet per se wegneemt.