De boer is niet in zijn eentje rentmeester van zijn akker

zaterdag, 28 maart 2026 (08:00) - Friesch Dagblad

In dit artikel:

In dorpshuis Op ’e Jister in Nijega legde bijzonder hoogleraar Jan van der Stoep (christelijke filosofie, Wageningen en TUA) vrijdagochtend voor bijna vijftig betrokkenen uit waarom het begrip rentmeesterschap centraal hoort te staan in een christelijke visie op landbouw. Aanleiding was een bijeenkomst van de Werkgroep Kerken & Landbouw Fryslân; het publiek bestond uit predikanten, kerkelijk werkers, pastoraal medewerkers en boeren.

Van der Stoep verduidelijkte rentmeesterschap door Bijbelse bronnen (Genesis 1–2 en het rentmeesterbeeld in het Nieuwe Testament) te verbinden met theologisch en filosofisch denken. Volgens hem betekent rentmeesterschap niet dat mensen boven de natuur staan (antropocentrisme), maar ook niet dat ze slechts één soort tussen anderen zijn (ecocentrisme). Het is een theocentrische opdracht: mensen hebben een bijzondere plaats en verantwoordelijkheid binnen de schepping om te zorgen voor land, gewassen en dieren en die in even goede of betere staat aan volgende generaties door te geven. Hij plaatste dit idee in een langere traditie — van Aristoteles en Franciscus tot Calvijn en Matthew Hale — en verbond het met hedendaagse katholieke oproepen zoals paus Franciscus’ Laudato Si.

Historisch legde Van der Stoep uit dat die taak in de vroegmoderne en moderne tijd onder druk kwam te staan. John Locke’s nadruk op individuele eigendomsrechten verschuift de focus van plichten naar rechten en legitimeerde het privébezit van land; dat droeg bij aan een scheiding tussen productie en consumptie van voedsel en versterkte de rol van ondernemerslandbouw en grote financiële en technologische spelers. Daardoor zijn burgers geneigd het rentmeesterschap aan boeren over te laten, terwijl de verantwoordelijkheid breder ligt.

Praktische consequenties: burgers, boeren en kerken moeten allemaal actief rentmeesters zijn. Van der Stoep gaf concrete handvatten voor burgers: kies verantwoord (biologisch, minder vlees en zuivel, seizoensproducten), steun lokale producenten, probeer inheemse flora in eigen tuin te bevorderen en draag bij aan landschapsherstel. Ook pleitte hij voor meer dankbaarheid aan tafel als cultureel ritueel dat de verbondenheid met voedsel en schepping herinnert. Kerken kunnen hun grond duurzaam verpachten, deelnemen aan Groene Kerken, groene liturgie ontwikkelen en lokale initiatieven ondersteunen (voedselbanken, zorgboerderijen, stadstuinen).

Over wat ‘goede landbouw’ is, noemde Van der Stoep geen enkelvoudige oplossing maar een mix van benaderingen: ecomodernisme (technologische innovaties om druk op landbouw te verminderen), agro-ecologie (natuurinclusieve, regeneratieve praktijken), gemeenschapslandbouw en multifunctionele bedrijven met korte ketens, en stadslandbouw of collectieve moestuinen waarmee burgers deel worden van hun voedselvoorziening. De kern blijft dat landbouw economisch levensvatbaar moet zijn én ecologisch houdbaar, zodat toekomstige generaties ook van de aarde kunnen leven.