De biologische landbouw verdient veel meer steun | LC commentaar
In dit artikel:
Piet Adema stelde eind 2022 dat binnen nog ruim drieënhalf jaar 15 procent van de Nederlandse landbouwgrond biologisch moet zijn; op dit moment is dat 4,8 procent. Dat doel ligt ver achter op wat sommige andere EU-landen in acht jaar bereikten: Italië groeide van ruim 15 naar circa 20 procent, Frankrijk van 5,9 naar 9,4 procent (2017–2024). Nederland boekte in de afgelopen drie jaar slechts circa 1 procentpunt groei en vorig jaar bleef het oppervlak vrijwel gelijk, volgens CBS-cijfers.
Oorzaken zijn vooral economisch: de Autoriteit Consument & Markt waarschuwde dat kosten voor bioboeren sneller stijgen dan opbrengsten, waardoor sommige boeren terugschakelen. Tegelijkertijd geeft een Natuur & Milieu‑onderzoek aan dat ongeveer één op de zes melkveehouders bereid is over te stappen, maar vaak steun mist tijdens de omschakelingsperiode waarin opbrengsten dalen terwijl de prijs nog gangbaar is.
Er liggen wel kansen: retailers zoals Albert Heijn ambiëren meer biologisch zuivel en zuivelverwerker A‑ware werft actief nieuwe bioboeren. De overheid kan vraag stimuleren via eigen cateringinkoop en door beleid dat omschakeling aantrekkelijker maakt—bijvoorbeeld door boeren nabij kwetsbare Natura‑2000‑gebieden te stimuleren en bioboeren bij stikstofreductiedoelen te ontzien. Ook verandert de economische prikkel: gangbare melkveehouders mogen sinds dit jaar niet meer mest uitrijden dan biologische collega’s en kunstmestprijzen zijn hoog, wat schakelen minder pijnlijk maakt. Het commentaar eindigt met de stelling dat als het kabinet het eigen streefdoel serieus neemt, nu extra beleidskracht nodig is.