Dammen is al oud, maar op de universiteit van Franeker werd het voor het eerst gespeeld zoals nu
In dit artikel:
Aan het eind van de middeleeuwen ontstond het damspel dat we tegenwoordig herkennen. De moderne variant met twintig witte en twintig zwarte schijven op een bord van honderd velden (vaak ‘Pools dammen’ genoemd) ontwikkelde zich in de zestiende en zeventiende eeuw, onder meer binnen kringen van Poolse studenten aan de universiteiten van Franeker en Leiden; vandaar de naam. Het oudst bekende grote dambord dateert uit 1696. Wereldtopspelers komen vooral uit Nederland, de voormalige Sovjet-Unie en Franstalig West-Afrika.
Gerhard Bakker (1932), die jarenlange ervaring heeft als damjournalist en uitgever van onder meer Het Nieuwe Damspel, verkent deze geschiedenis in zijn recent verschenen Geschiedenis van het damspel. Hij neemt afstand van speculatieve theorieën over prehistorische speelplanken en richt zich op situaties waarvan schriftelijke bronnen en duidelijke spelregels bestaan. Centraal in zijn betoog staat de promotieregel — het verhogen van een schijf tot dam bij het bereiken van de achterlijn — die hij als cruciaal kenmerkt voor het definiëren van ‘dammen’. Spelen als het twaalfstukken/Alquerque, waarin die promotie ontbreekt, beschouwt hij dus niet als directe voorloper van het moderne dammen.
Bakker stelt bovendien dat de promotiegedachte rond dezelfde periode ook in het schaakspel opkwam, en dat beide vernieuwde spellen zich daarna snel over Europa verspreidden.