Bedrogen door de schone schijn van de diplomademocratie

woensdag, 4 maart 2026 (09:00) - Friesch Dagblad

In dit artikel:

Het essay introduceert en bekritiseert het begrip "diplomademocratie": een paradox waarin democratische macht in de praktijk vooral bij mensen met een hbo- of universitaire bul ligt. Gerrit de Jong signaleert een groeiende scheiding tussen hoog- en laagopgeleiden in woonwijken, huwelijkspartners, vrijetijdsbesteding, onderwijskeuze en politieke voorkeur. Deze afstand manifesteert zich volgens hem in herkenbare stereotypeverschillen (namen, sporten, vakantiebestemmingen) en in het feit dat hoog- en laagopgeleiden elkaar steeds minder tegenkomen.

De aanleiding is een recente kabinetsformatie waarin, naar De Jongs telling, alle 28 bewindslieden een hogere onderwijsdiploma hebben; drie van het hbo, de rest universitair. Eén beoogd staatssecretaris moest terugtrekken omdat zij een hoger onderwijsdiploma niet bleek te hebben opgegeven. De auteur ziet hierin de legitimatiecrisis van de democratie: een diploma fungeert als toetssleutel tot macht, vaak los van relevantie voor de politieke portefeuille.

De Jong wijst erop dat de instroom naar universiteiten de afgelopen decennia explosief is toegenomen en dat veel ministers een opleiding hebben die weinig met hun huidige taak te maken heeft. Voorbeelden: een minister van Sport met theologische opleiding, een minister van Volkshuisvesting met een militaire achtergrond, landbouwbewindslieden met politicologische studies en een staatssecretaris Fiscale Zaken met een studie in technische informatica. Dit noemt hij verspilling van maatschappelijk onderwijskapitaal wanneer die kennis niet wordt toegepast; tegelijk prijst hij wel dat de belangrijkste economische en sociale portefeuilles toevertrouwd zijn aan inhoudelijk onderlegde mensen.

Een andere zorg is de verdeling van publieke middelen: het regeerakkoord doet relatief veel extra geld uitgaan naar onderwijs, met name universiteiten, terwijl demografische ontwikkelingen en de vergrijzing andere prioriteiten zouden kunnen rechtvaardigen. Universiteiten zoeken daarnaast steeds meer buitenlandse studenten — inmiddels tot zo’n 40 procent — waarvan een groot deel na afstuderen weer vertrekt, waardoor investeringen in deze groep mogelijk weinig nationaal rendement opleveren.

De Jong breidt zijn kritiek uit met een verwijzing naar James Burnham: bestuur wordt steeds meer overgenomen door managers en experts, terwijl politici vaak decoratieve rollen vervullen en vooral moeten kunnen communiceren. Het kabinet zou zo een podium zijn waar vorm en presentatie zwaarder wegen dan inhoudelijke deskundigheid. De afsluitende stelling is dat het huidige systeem disciplinair kapitaal inlevert en vragen oproept over meritocratie, besteding van publieke middelen en de democratische legitimatie van beleidsmakers.