Baggerbedrijf Ippel Dredging uit Koudum kreeg terecht een dwangsom, oordeelt de Raad van State
In dit artikel:
De Raad van State heeft het baggerbedrijf Ippel Dredging uit Koudum definitief in het ongelijk gesteld in een conflict met de gemeente Súdwest-Fryslân over een dwangsom van 300.000 euro. De zaak begon nadat het bedrijf in 2019 meldde dat 7200 kubieke meter baggerspecie van het project Hallumer Feart tijdelijk lag opgeslagen aan de Bovenburen. Bij een controle in 2020 stelde de gemeente vast dat het niet ging om schone of alleen tijdelijk te bewaren bagger, maar om verontreinigde specie die volgens de regels direct naar een erkend afvalverwerker had moeten worden gebracht.
Ippel Dredging bestreed dat er sprake was van een overtreding. Volgens het bedrijf zouden olieresten in opgeslagen bagger na verloop van tijd verdampen, waardoor de specie alsnog industrieel bruikbaar wordt en zes maanden in depot mag liggen. Ook stelde het bedrijf dat de ondergrond voldoende was beschermd, terwijl de gemeente juist zegt dat er geen vloeistofdichte vloer was, maar hooguit een tijdelijk kerende voorziening.
De hoogste bestuursrechter volgt de gemeente: al bij het aannemen van de baggerspecie was een vergunning nodig, en opslag telt in dit geval als een vorm van verwerking. Daarmee stond de overtreding vast. De Raad van State wees er bovendien op dat de bagger inmiddels is afgevoerd en dat de dwangsom daardoor niet is ingevorderd. Het bedrijf zei eerder dat zo’n inning tot faillissement had kunnen leiden, maar noemt de zaak vooral een principiële kwestie.
Vandaag Inside Oranje: Johan Derksen neemt het op voor Molukkers: 'Betaal het pensioen waar ze recht op hadden alsnog uit'