AOW-ingreep wordt duur betaald. 'Gepensioneerde dreigt tot 15 procent aan inkomen te verliezen'

zaterdag, 10 januari 2026 (12:12) - Leeuwarder Courant

In dit artikel:

Topambtenaren en sommige economen dringen er bij de onderhandelaars van D66, CDA en VVD op aan om te overwegen gepensioneerden AOW‑premie te laten bijdragen aan de kosten van de AOW. De aanbeveling staat in het rapport van de Studiegroep Begrotingsruimte dat afgelopen zomer uitkwam; de adviseurs waarschuwen dat vergrijzing de overheidsschuld op de lange termijn kan opdrijven en noemen hervormingen van AOW en zorg als mogelijke maatregelen.

Hoe de AOW nu wordt gefinancierd: traditioneel via premies van werkenden; gepensioneerden zijn vrijgesteld. De premie is gemaximeerd (17,9%) en wanneer premies tekortschieten, wordt het gat gedicht uit algemene belastinginkomsten — een proces dat sinds 2024 duidelijk is toegenomen, omdat dat jaar voor het eerst meer dan de helft van de AOW uit algemene middelen werd betaald. Dat wordt fiscalisering genoemd en betekent in de praktijk dat ook gepensioneerden al indirect meebetalen.

Feiten en cijfers spelen een grote rol in het debat. Het Centraal Planbureau rekent uit dat de AOW nu ongeveer 4,7% van het bbp kost en naar verwachting stijgt naar circa 5,7% in 2040; de gezondheidszorg groeit nog veel harder en kan in 2060 ruim 7% van het bbp bedragen. Deze cijfers leveren verschillende interpretaties op: sommige economen zien de gestage AOW‑stijging als beheersbaar, anderen vinden hervorming onvermijdelijk omdat de verhouding werkenden‑gepensioneerden verslechtert en de druk op begroting en solidariteit toeneemt.

Belangrijke argumenten in het debat:
- Voorstanders van gepensioneerdenpremie (onder wie emeritus hoogleraar Flip de Kam en SER‑kroonlid Marike Knoef) stellen dat een geleidelijke invoering en inkomensafhankelijke bijdragen vooral vermogende ouderen meer zou laten betalen, terwijl mensen met alleen AOW netto mogelijk zelfs iets vooruitgaan door aanpassingen in de uitkering en belastingkortingen.
- Tegenstanders (zoals oud‑econoom Han de Jong) wijzen op het politieke en morele karakter: veel AOW‑ontvangers voelen dat ze hun hele leven al voor hun recht op AOW hebben betaald en hebben vaak weinig mogelijkheden om inkomensverlies te compenseren. Ook wordt erop gewezen dat andere uitgavencategorieën, zoals de kosten van het overheidsapparaat, sterk zijn toegenomen en evenzeer aandacht verdienen.

Praktische kwestie: koppeling AOW aan het minimumloon verhoogt de kosten van uitkeringen bij beleidskeuzes die het minimumloon optrekken; het loskoppelen van die relatie zou het systeem raken en is politiek gevoelig. Het inkomensafhankelijk maken van de AOW wordt ook genoemd, maar dat vraagt om ingrijpende herziening van het volksverzekeringsprincipe.

Demografie vergroot de druk: het aantal AOW‑gerechtigden bereikte recent recordniveaus (rond 3,7 miljoen tot november; mogelijk boven 4 miljoen eind december) en de geboortecijfers dalen, waardoor de verhouding tussen werkenden en gepensioneerden verder scheef kan lopen. Pensioenen worden wél opgebouwd via sparen, maar de AOW blijft een omslagstelsel en vraagt daarom andere oplossingen.

Gevolgen voor koopkracht: rekenmodellen laten uiteenlopende uitkomsten zien. De Kam berekende dat mensen met aanvullende inkomsten tot ruim 14% koopkrachtverlies kunnen ervaren als gepensioneerden premies gaan betalen, terwijl zuivere AOW‑ontvangers netto soms tot circa 8% voordeel kunnen hebben door aanpassingen in bruto/netto en kortingen.

Kortom: er is een breed gedeeld besef dat zowel zorg als AOW financiële planning nodig hebben, maar politieke gevoeligheid en uiteenlopende economische inschattingen maken iedere verandering lastig. Verwacht wordt dat indien er iets verandert, dat geleidelijk en met aandacht voor inkomensverschillen zal gebeuren — maar of de formerende partijen dit daadwerkelijk op de formatietafel leggen, blijft onduidelijk.