AOW en de solidariteit tussen generaties
In dit artikel:
De AOW begon in Nederland als een omslagverzekering: werkende jongere generaties financierden het pensioen van hun ouders. Dat model – bedoeld als intergenerationele solidariteit – is sinds de invoering ruim zeventig jaar geleden fundamenteel veranderd en onder druk komen te staan door maatschappelijke en demografische ontwikkelingen.
Oorspronkelijk was de AOW een volksverzekering met premies; uitkeringstijd begon op 65 en de premiebetaling stopte bij ingang van de uitkering. De regeling werd een van drie pensioenspijlers: de AOW, collectieve aanvullende bedrijfstakpensioenen (via werkgevers en werknemers) en particuliere verzekeringen. De AOW is historisch gekoppeld aan het wettelijk minimumloon, wat er mede voor zorgt dat aanvullende pensioenen beperkt hoeven te blijven – samen vormen ze communicerende vaten.
Sinds de jaren zeventig veranderde de samenleving: anticonceptie, de pil, abortus en een groeiend aantal alleenstaanden en kinderloze huishoudens maakten dat steeds meer mensen wel AOW willen ontvangen zonder bijgedragen te hebben aan de generatiesolidariteit. Dat schept een verdelingsprobleem: wie betaalt voor degenen die bewust geen kinderen hebben? De auteur illustreert dit met het voorbeeld van een kinderloze secretaresse die kon reizen en later AOW ontving die gefinancierd was door anderen.
De praktische gevolgen zijn groot. Premies en kosten van de AOW stegen, waardoor de overheid steeds vaker bijsprong: inmiddels wordt meer dan de helft van de AOW via belastingen gefinancierd. Daardoor betaalt een deel van de huidige AOW-gerechtigden mee aan hun eigen uitkering, wat volgens de auteur het verzekeringskarakter uitholt. Tegelijkertijd neemt de betaaltermijn toe: bij invoering bedroeg de gemiddelde AOW-periode zeven jaar, nu is dat circa zeventien jaar door stijgende levensverwachting; de ingangsleeftijd is opgeschoven naar 67 en gekoppeld aan levensverwachting.
Als reactie op de ontkoppeling van solidariteit stelt de auteur een concrete maatregel voor: moeders extra AOW toekennen, eventueel geclusterd naar aantal opgevoede kinderen – een systeem dat in Duitsland bestaat. Dat zou degenen belonen die bijdragen aan de voortzetting van het collectief. Mensen die bewust kinderloos blijven, zouden via de derde pijler (particuliere pensioenopbouw) zelf hun pensioen kunnen versterken.
Politiek blijft de AOW een twistpunt: discussies over koppeling aan het minimumloon, mogelijke verlagingen voor goed bedeelden, of het afschaffen van premievrijstellingen voor AOW’ers (wat volgens de auteur bij velen tot inkomensverlies zou leiden) maken de AOW tot speelbal van beleidswisselingen. De auteur waarschuwt dat dat de solidariteit verder ondergraaft en leidt tot armoederisico’s voor ouderen als publieke bijstellingen verdwijnen of kleinere uitkeringen voor alleenstaanden worden afgedwongen.
Gerrit de Jong (econoom) pleit er uiteindelijk voor om het generatiecontract te herstellen: erken het opvoeden van kinderen binnen de pensioenfinanciering, herzie de verdeling tussen collectieve en individuele verantwoordelijkheid, en voorkom dat de AOW louter afhankelijk wordt van politieke kortetermijnoplossingen.