Antisemitisme bij demonstraties is reden tot zorg, maar lang niet de enige | LC commentaar
In dit artikel:
Het rapport Gevangen in vrijheden van de Taskforce Antisemitismebestrijding signaleert dat antisemitisme een rol speelt bij de recente felle pro-Palestina-demonstraties, vooral binnen het hoger onderwijs en op stations. Als voorbeeld wordt genoemd dat een joodse student schrok toen hij op de laptop van zijn vertrouwenspersoon een Palestijnse vlag aantrof — een situatie die weliswaar niet per se evident antisemitisch is, maar wel de drempel om incidenten te melden kan verhogen.
De analyse brengt nuance: niet elke protestuiting met Palestijnse symbolen is automatisch haat jegens Joden, en historische ervaringen maken Joden vaak gevoeliger voor bepaalde boodschappen. Tegelijk wijst het artikel op gevaarlijke boodschappen en retoriek die gevoelens van onveiligheid voeden; zangeres Lenny Kuhr is genoemd als iemand die vanwege die onveiligheid naar Israël is gevlucht. Praktische aanpakken van dergelijke gevoelens zijn lastig omdat het demonstratierecht beschermd blijft.
De berichtgeving rond het geweld van supporters van voetbalclub Maccabi in Amsterdam eind 2024 illustreert hoe complex de beeldvorming kan zijn: aanvankelijk werd dat geweld als uiting van antisemitisme gekarakteriseerd (met woorden als ‘jodenjacht’ en ‘pogrom’), maar later bleek dat het ook ging om agressief gedrag van Israëlische supporters zelf, van wie enkelen zelfs militaire dienst hadden gedaan.
Het debat raakt ook aan definities: de veelgebruikte IHRA-definitie van antisemitisme bevat volgens critici veel voorbeelden die betrekking hebben op Israël en zionisme, waardoor kritiek op Israël snel als antisemitisch kan worden afgedaan. De auteur stelt dat het breder onderzocht zou moeten worden waarom juist Israël en Gaza zo’n sterke resonantie hebben binnen activistisch Nederland — mogelijk door nauwe contacten op academisch niveau — en waarom die demonstraties zo vaak agressief escaleren.