Andermans fluiten kan zijn als Pokon voor het humeur | column Wieberen Elverdink
In dit artikel:
Halverwege een zonnige middag hoorde ik van achteren een man naderen op zijn fiets: voorovergebogen, te warm gekleed en met beide handen aan het stuur. Wat hem meteen opviel, was zijn luide, ongebreidelde gefluit — niet met vingers, maar door de mond geperste tonen, vol en hard; hij beheerste het volumefluiten en liet dat de straat weten.
Ik ben doorgaans gecharmeerd van mensen die onbezonnen fluiten: het kan aanstekelijk zijn, een onverwachte opkikker. Dat gevoel illustreer ik met een herinnering uit mijn jeugd: tijdens een spelletje oorlog, verscholen langs een hoge coniferenhaag, klonk opeens zacht, melancholisch fluiten van de andere kant. Het was zo mooi dat ik meteen ontspande en mijn spel vergat; de klanken maakten me weerloos en aandachtig, een moment van puur betovering.
Terug naar de fietser van nu: zijn fluit werd niet kleiner toen hij dichterbij kwam. Integendeel — omstanders draaiden zich om, alsof er een sirene passeerde. Het geluid kreeg de lading van een eis: luister naar mij, en laat mijn stemming de jouwe worden. Het was geen uitnodigend deuntje maar een schreeuwerig, bijna agressief muzikaal optreden dat de openbare ruimte opeiste. Zelfs toen hij de hoek om reed bleef zijn gefluit nog even hoorbaar.
Ik keek hem na en wilde hem een andere scène toewensen: een stille tuin, een bloembed en een zachtere stemming. De observatie gaat verder dan een toevallige ontmoeting; het is een overpeinzing over hoe kleine, luide gedragingen in het openbaar invloed hebben op anderen — soms vrolijk makend, soms intimiderend — en over de menselijke behoefte aan zowel expressie als aan mildheid in de gedeelde ruimte.
Wieberen Elverdink (44) woont met zijn vrouw en drie kinderen in een middelgroot dorp in het Noorden en schrijft over het dorpsleven.