Als Nederland weer toonaangevend wil worden op de 5 kilometer, moet het roer drastisch worden omgegooid
In dit artikel:
De 5 kilometer bij de mannen, lange tijd een Nederlands domein, staat deze winter onder leiding van buitenlanders en dwingt Nederland tot een koerswijziging. Sinds 1988 (na de Winterspelen van 1984) stond er altijd een Nederlander op het olympische podium — met namen als Gianni Romme en Sven Kramer en zelfs een volledig Nederlands podium in Sotsji — maar nu is die hegemonie serieus aangetast.
Twee weken geleden zette de Noor Sander Eitrem in Inzell een nieuw wereldrecord neer (5.58,52). Hij is niet de enige die dit seizoen extreem snel rijdt: op de ranglijst volgen onder anderen Timothy Loubineaud (Frankrijk), Casey Dawson (Verenigde Staten) en het Tsjechische talent Metodej Jilek. De beste Nederlander van het seizoen, Chris Huizinga, staat pas achtste met 6.05,16; Marcel Bosker is 21e en staat onder de derde Nederlandse olympiër Stijn van de Bunt. Die cijfers maken duidelijk dat Nederland op dit moment niet vanzelfsprekend voor medailles kan meedoen — iets wat de rijders zelf ook realistisch erkennen.
De oorzaak ligt vooral in een verschuiving van trainings- en techniekfilosofieën. De Zweed Nils van der Poel zette met een extreem omvangrijk trainingsregime een nieuwe norm: veel uren en focus op uithouding. Daarnaast zijn er veel succesvolle inline-skaters naar het allrounden gekomen, rijders die meer op ritme en cadans werken en minder op rauwe kracht. Jongere talenten zoals Jilek volgen die lijn. De traditionele Nederlandse methode — veel kracht, lange, sterke slagen in de stijl van Sven Kramer — blijkt minder dominant dan vroeger.
Binnen Nederland zijn er al veranderingen gaande. Bosker koos twee jaar geleden bewust een andere weg toen hij mentaal vastliep; dat leidde tot vooruitgang en dit seizoen een nationale titel, maar hij benadrukt dat individuele coaches blijven vasthouden aan hun programma’s, waardoor een collectieve omslag lastig is. Huizinga experimenteerde met een andere bochtentechniek (beide handen op de rug) en zag die keuze door anderen overgenomen worden; hij erkent dat zijn aanpak mede invloed heeft gehad op bredere trends in de sport. Ook trainingsmiddelen uit wielrennen en triatlon, zoals veel fietskilometers, vinden hun weg naar de schaatssport.
De conclusie van de betrokkenen is helder: Nederland moet adaptiever en samenwerkender worden om terug te keren naar de wereldtop op de 5 km. Dat betekent technische aanpassingen, andere trainingsopbouw en mogelijk meer leren van recente internationale voorbeelden. Op korte termijn, bij de huidige Spelen in Milaan, zijn olympisch goud of zelfs een podium voor veel Nederlanders geen realistische verwachting; de focus ligt op goede races en het reduceren van de achterstand. Op langere termijn, binnen vier jaar, is de ambitie om weer serieus mee te dingen naar goud.